Alle soorten › Zangvogels › Hylia's › Hylia

Hylia | Hylia prasina

Green Hylia | Hilia Verde

De hylia is een stevig, olijfgroen boszangertje met een lange lichte wenkbrauwstreep en een korte staart. Hij vormt met de meeshylia een kleine, eigen familie van West- en Centraal-Afrikaanse bosvogels en wordt vaker gehoord dan gezien. In het gebied komt hij alleen in het noordwesten van Angola voor.

Hylia (Hylia prasina)
Foto: Tommy Andriollo — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, helder en doordringend fluitje van twee gelijke noten, tie-tie of wiet-wiet, vaak lang herhaald en ver te horen. Verder een hard, raspend tsjrrr als alarm. De stem is veel luider dan het kleine vogeltje doet vermoeden.

Luister: ZangXC939861

Opname: Paul Lenrumé — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm. Bovendelen donker olijfgroen, kruin iets donkerder. Een lange, brede geelachtige tot vaalgele wenkbrauwstreep loopt tot ver achter het oog, begrensd door een donkere oogstreep. De onderzijde is grijsachtig olijfgroen, op keel en buik iets lichter en geliger. De snavel is vrij kort, stevig en donker; de poten zijn olijfbruin. De staart is kort en vierkant. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn groener met een zwakkere wenkbrauwstreep. Beweegt rustig door dicht gebladerte en slingerplanten op midden- en kroonhoogte, vaak in gemengde groepen.

Verwarrings­soorten

De gele langsnavelzanger Macrosphenus flavicans heeft een veel langere, iets gebogen snavel, een gelere buik en mist de lange wenkbrauwstreep. De geelbrauwcamaroptera Camaroptera superciliaris heeft ook een gele wenkbrauwstreep, maar een witachtige onderzijde, een lichte snavel en een opgewipte staart. De groene buulbuul Eurillas virens is groter, zonder wenkbrauwstreep. De groene krombek Sylvietta virens is kleiner, bruinig, met een vrijwel ontbrekende staart. Het tweetonige fluitje is vaak de beste aanwijzing.

Leefgebied

Vochtig laaglandbos, galerijbos, secundair bos en bosranden met dichte slingerplanten, ook oude koffie- en cacaoaanplant onder schaduwbomen. Foerageert op middenhoogte tot in de kroon, pikt insecten en spinnen van bladeren en takken en trekt mee met gemengde groepen van buulbuuls, langsnavelzangers en honingzuigers. Bouwt een bolvormig nest met zijingang, laag in dicht gebladerte.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied beperkt tot het noordwesten van Angola: Cabinda en de bosrijke hellingen van de westelijke escarpment, van Uíge en Cuanza Norte zuidwaarts tot Cuanza Sul. Daarbuiten wijdverspreid in de bosgordel van West- en Centraal-Afrika, van Gambia en Senegal tot Oeganda, het westen van Kenia en het noordwesten van Tanzania, en op Bioko.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Luister in de bossen van Cabinda en de escarpment bij Kumbira en Uíge naar het herhaalde tweetonige fluitje; de vogel zelf zit meestal verborgen in slingerplanten. Wacht bij gemengde groepen op het moment dat hij op een open tak verschijnt en let dan op de lange lichte wenkbrauwstreep.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; over het grote areaal algemeen. In Angola kwetsbaar door de voortgaande kap en omzetting van bos op de escarpment, maar de soort verdraagt secundair bos en schaduwaanplant.

Wetenschappelijke naam

Hylia prasina | (Cassin, 1855)

Cassin beschreef de soort in 1855 als Sylvia prasina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hylia werd in 1859 ingevoerd door Cassin. Hylia komt van het Griekse hulēeis, 'in het bos wonend', van hulē, 'bos, woud'. prasina komt van het Griekse prasinos, 'preigroen' — naar de groene bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mondah-rivier, Gabon.