Alle soorten › Zangvogels › Gele vliegenvangers › Grijskopelfmonarch

Grijskopelfmonarch | Erythrocercus livingstonei

Livingstone's Flycatcher | Monarca de Livingstone

De grijskopelfmonarch is een klein, rusteloos vogeltje met een grijze kop, een gele onderzijde en een roestrode staart die voortdurend wordt gewaaierd en heen en weer gezwaaid. Hij hoort tot de kleine familie van de elfmonarchen, die alleen in Afrika voorkomt, en leeft in groepjes in dichte rivierbegroeiing en laaglandbos van het Zambezibekken tot de kust van Mozambique.

Grijskopelfmonarch (Erythrocercus livingstonei)
Foto: William Stephens — CC BY 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een snel, ijl en sissend gekwetter, tsip-tsip-tsiep, vrijwel onafgebroken tijdens het foerageren. De zang is een hoge, snelle reeks heldere tjilpende noten die in een korte triller eindigt. Groepjes worden meestal eerst aan het geluid opgemerkt.

Luister: ZangXC346560

Opname: David C. Moyer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12 cm, waarvan een groot deel staart. Kop grijs, met een smalle lichte oogring; mantel en vleugels olijfgroen. Keel, borst en buik helder geel, op de flanken olijfkleurig. Stuit en staart zijn warm roestrood; de staart heeft vóór de punt een rij kleine donkere vlekken en lichte toppen, goed zichtbaar als hij gewaaierd wordt. De snavel is kort en donker, de poten zijn vleeskleurig. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met een olijfkleurige kop. Beweegt voortdurend door het blad, met hangende vleugels en een gewaaierde, zwaaiende staart, en maakt korte vangvluchtjes.

Verwarrings­soorten

De geelborstapalis Apalis flavida heeft ook een grijze kop en groene rug, maar een witte keel, een lange olijfgrijze staart en een rode of lichte iris. De zuidelijke Afrikaanse brilvogel Zosterops anderssoni heeft een opvallende witte oogring en een groene staart. Een vrouwtje van de Afrikaanse paradijsmonarch Terpsiphone viridis heeft ook een roestrode staart, maar is veel groter, met een donkere kop, een blauwe oogring en een grijze onderzijde. De geelbuikhyliota Hyliota flavigaster is zwart-wit boven en leeft hoog in miombo. Geen andere vogel in het gebied combineert gele onderzijde en roestrode, gewaaierde staart.

Leefgebied

Dicht rivierbos en oeverbegroeiing, droog laaglandbos en kustbos, dichte struiklagen en slingerplanten in bosranden, meestal onder ongeveer 1000 m. Foerageert in de onder- en middenlaag in groepjes van drie tot zes vogels en sluit vaak aan bij gemengde groepen van brilvogels, apalissen en vliegenvangers. Eet kleine insecten die van bladeren worden gepikt of in de lucht worden gevangen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in het laagland van het Zambezibekken en de oostkust: in Zambia in de Luangwa-vallei en de middenloop van de Zambezi, in Zimbabwe in de Zambezivallei en plaatselijk in het zuidoostelijke laagveld, in Malawi langs de oevers van het Malawimeer en in de vallei van de Shire, en in Mozambique over grote delen van het centrale en noordelijke laagland. Daarbuiten alleen in het zuidoosten van Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de dichte rivierbegroeiing van Mana Pools, de Lower Zambezi, South Luangwa en Liwonde naar een gemengde groep kleine vogels en luister naar het sissende gekwetter. De grijskopelfmonarch valt dan op door de roestrode, gewaaierde staart die voortdurend zwaait. Hij blijft zelden stil zitten, dus richt de verrekijker op de plaats waar de groep beweegt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; plaatselijk vrij algemeen in geschikt habitat. Gevoelig voor het verdwijnen van rivierbos en dicht laaglandbos door kap, landbouw en bosbranden.

Wetenschappelijke naam

Erythrocercus livingstonei | Gray, 1870

Gray beschreef de soort in 1870 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Erythrocercus werd in 1857 ingevoerd door Hartlaub. Erythrocercus komt van het Griekse eruthros, 'rood', en kerkos, 'staart' — naar de roestrode staart van deze kleine vliegenvangers. livingstonei eert de Schotse zendeling en ontdekkingsreiziger David Livingstone (1813–1873), die het Zambezi-gebied verkende. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zumbo, grens Zambia–Mozambique.