Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Geelkeelapalis

Geelkeelapalis | Apalis flavigularis

Yellow-Throated Apalis | Apalis Gorjigualdo

De geelkeelapalis is een kleine, langstaartige apalis met een helder gele keel, een smalle zwarte borstband en een gele buik, die alleen voorkomt op drie bergmassieven in het zuiden van Malawi. Hij werd lang als ondersoort van de halsbandapalis behandeld en is de enige vogelsoort die volledig endemisch is voor Malawi.

Geelkeelapalis (Apalis flavigularis)
Foto: Marc Henrion — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een snel, luid duet zoals bij de halsbandapalis: een droog herhaald tsjirrup-tsjirrup-tsjirrup van het mannetje, direct beantwoord door een hoger tie-tie-tie van het vrouwtje. Contactroep een scherp tsjip.

Luister: RoepXC667018

Opname: Ruben Foquet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm, waarvan bijna de helft staart. Kruin en gezicht zijn grijs, de rug, vleugels en stuit olijfgroen. Kin en keel zijn helder geel, begrensd door een smalle zwarte borstband; borst en buik zijn eveneens geel, de flanken groenig. De staart is donker met witte buitenste pennen. De iris is lichtgeel tot crème, de snavel zwart, de poten roze. Het vrouwtje heeft een smallere borstband; jonge vogels zijn valer, met een vage of ontbrekende band en een donkerder oog.

Verwarrings­soorten

De halsbandapalis Apalis thoracica heeft een witte keel boven de zwarte band en komt in Malawi alleen in het noorden en midden voor, niet op deze bergen. De geelborstapalis Apalis flavida, die lager op de hellingen voorkomt, heeft een witte keel, een groene kruin met grijs voorhoofd en hooguit een klein zwart vlekje op de gele borst. De Namuli-apalis Apalis lynesi leeft alleen op de berg Namuli in Mozambique en mist de gele keel. Op Zomba, Malosa en Mulanje is een apalis met gele keel én zwarte band dus altijd deze soort.

Leefgebied

Randen en open plekken van afromontaan bos, dicht struikgewas en ruigte met varens en bramen op berghellingen, begroeide ravijnen, en randen van dennen- en eucalyptusaanplant met een dichte ondergroei, van ongeveer 1000 tot boven 2000 m. Foerageert in paren in de middelste laag, vaak in gemengde groepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor het zuiden van Malawi: het Zomba-plateau, de berg Malosa en het Mulanje-massief. Komt buiten Malawi, en daarmee buiten het gebied, niet voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond; het Zomba-plateau is de gemakkelijkste plaats, waar hij aan bosranden en langs de wegen en paden over het plateau vrij algemeen is. Luister naar het duet en kijk in de ruigte langs de bosrand; op Mulanje in de bosjes en struwelen op de lagere en middelste hellingen.

Staat van instandhouding

Gevoelig (IUCN). Het wereldareaal beslaat slechts drie bergen, waar bos verdwijnt door houtkap, brand en landbouw. De soort verdraagt enige verstoring en leeft ook aan de randen van plantages, maar is door het kleine areaal kwetsbaar; klimaatmodellen voorspellen bovendien een verschuiving naar hoger gelegen delen van de bergen.

Wetenschappelijke naam

Apalis flavigularis | Shelley, 1893

Shelley beschreef de soort in 1893 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Apalis werd in 1833 ingevoerd door Swainson. Apalis komt van het Griekse hapalos, 'teer, sierlijk' — naar deze slanke, fijn gebouwde zangertjes. flavigularis is Latijn voor 'geelkeel', van flavus, 'geel', en gula, 'keel'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mulanjeplateau, Malawi.