Alle soorten › Spechtachtigen › Afrikaanse baardvogels › Geelrugketellapper

Geelrugketellapper | Pogoniulus coryphaea

Western Tinkerbird | Barbudito Coronado

De geelrugketellapper is een kleine zwarte ketellapper met een brede goudgele streep van het voorhoofd over kruin en rug tot op de stuit. Hij leeft in geïsoleerde bergbossen in Centraal- en West-Afrika; in het gebied alleen in de westelijke hooglanden van Angola, waar een eigen ondersoort voorkomt.

Geelrugketellapper (Pogoniulus coryphaea)
Foto: Zieger M — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lange, snelle reeks gelijke, holle notities, po-po-po-po-po, vaak in reeksen van enkele seconden met korte pauzes, en daarnaast een snelle tril. Roept vaak vanuit de kruin.

Luister: ZangXC430377

Opname: Bram Vogels — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 9–10 cm. De bovendelen zijn zwart, doorsneden door een brede, heldergele tot goudgele middenstreep die van voorhoofd en kruin over de mantel tot op de stuit loopt. In het zwarte gezicht staan een smalle lichte streep onder het oog en een lichte snorstreep. Keel en borst zijn grijsachtig, de buik grijs met een olijfkleurige tint; de vleugeldekveren en pennen hebben gele randen. De Angolese ondersoort angolensis heeft een wat bleker gele rugstreep. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer met een smallere, bleke rugstreep.

Verwarrings­soorten

De geelstuitketellapper (Pogoniulus bilineatus) heeft een zwarte kruin en rug zonder gele middenstreep, met geel alleen op de stuit, en twee witte gezichtsstrepen. De geelvoorhoofdketellapper (Pogoniulus chrysoconus) heeft een geel voorhoofdsvlekje, een gestreepte rug en gele onderdelen, en leeft in open bosveld. De doorlopende gele streep van kruin tot stuit is kenmerkend.

Leefgebied

Afromontaan bos, bosranden, open plekken en oud secundair bos in de bergen; in Angola in de restanten van bergbos en koffiebos op de westelijke escarpe en de hooglanden. Foerageert in kruin en middenlaag op bessen, vooral van maretakken, en insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in de westelijke hooglanden van Angola, vooral op de escarpe en in de bergen van Cuanza Sul; zeldzaam en plaatselijk. Buiten het gebied in de hooglanden van Nigeria en Kameroen en in de bergen van de Albertine Rift in het oosten van Congo-Kinshasa, Rwanda, Burundi en het zuidwesten van Oeganda.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een van de gezochte soorten van de Angolese escarpe; bosresten in Cuanza Sul, zoals rond Kumbira, bieden de beste kansen. Luister naar de holle reeksen en zoek in maretakken aan de bosrand.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. De Angolese populatie is echter klein en geïsoleerd en wordt bedreigd door de snelle kap van escarpe- en bergbos voor landbouw en houtskool.

Wetenschappelijke naam

Pogoniulus coryphaea | (Reichenow, 1892)

Reichenow beschreef de soort in 1892 als Barbatula coryphaea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pogoniulus werd in 1842 ingevoerd door De Lafresnaye. Pogoniulus is een verkleinvorm van Pogonias, van het Griekse pōgōnias, 'gebaard' — dus 'baardvogeltje', passend bij deze kleinste baardvogels. coryphaea is een gelatiniseerd Grieks woord: koruphaia, 'kuif op de kruin', of koruphaios, 'bovenaan, op de top', beide van koryphē, 'kruin' — vermoedelijk naar de goudgele streep over kruin en rug. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Buea, Kameroenberg, Kameroen.