Alle soorten › Spechtachtigen › Afrikaanse baardvogels › Witsnorketellapper

Witsnorketellapper | Pogoniulus leucomystax

Moustached Tinkerbird | Barbudito Bigotudo

De witsnorketellapper is een kleine, olijfgroene ketellapper van Oost-Afrikaanse bergbossen, herkenbaar aan een scherpe witte streep van de snavelhoek langs de halszijde. In het gebied is hij beperkt tot de hooglanden van het noorden van Malawi en het aangrenzende noordoosten van Zambia.

Witsnorketellapper (Pogoniulus leucomystax)
Foto: Tom Field — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een trillende reeks die traag begint en versnelt, pi-pi-pi-pi-i-i-i-i-i, en daarnaast ritmische reeksen van korte notities met pauzes ertussen. Jongen in het nest roepen een regelmatig ti-ti-ti-ti.

Luister: ZangXC474158

Opname: Rolf A. de By — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 9–10 cm. De bovendelen zijn donker olijfgroen met een gele tot goudgele stuit, de vleugels zwartachtig met gelige randen aan de binnenste pennen en de staart zwart met groengele zomen. Opvallend is de witte snorstreep die van de snavelhoek onder het oog door langs de halszijde loopt. De keel is grijzig, de onderdelen zijn bleek olijfgrijs, iets lichter op de buik. De snavel is tweekleurig: lichtere basis, donkere punt. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met een minder scherpe snorstreep.

Verwarrings­soorten

De geelstuitketellapper (Pogoniulus bilineatus), die in dezelfde bossen kan voorkomen, heeft een glanzend zwarte kop en rug met twee witte strepen in het gezicht, niet één. De groene ketellapper (Pogoniulus simplex) mist de witte snorstreep en leeft in het laagland. De combinatie van olijfgroene rug en één witte snorstreep is kenmerkend.

Leefgebied

Afromontaan bos, bosranden en open plekken, rivierbos in de hooglanden en aangrenzend dicht struweel, doorgaans boven 1.500 m. Foerageert in de kruinen en middenlaag op bessen, vooral van maretakken, en insecten. Hakt een nestholte uit in een dode tak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in de bergbossen van het noorden van Malawi, onder meer op het Nyika-plateau, de Misuku-heuvels en het Viphya-plateau, en in het noordoosten van Zambia op de Zambiaanse zijde van het Nyika-plateau en in de Mafinga-heuvels. Buiten het gebied in de bergen van Tanzania, Kenia en Oeganda.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in bosranden op het Nyika-plateau, waar de vogel geregeld in maretakken foerageert. De versnellende tril verraadt hem; wacht daarna tot hij zich laat zien in de buitenste takken. Het licht in de ochtend maakt de witte snorstreep het best zichtbaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het gebied beperkt tot kleine en versnipperde bergbossen, waardoor de populatie klein is. Kap en branden aan de bosranden bedreigen plaatselijk het leefgebied; het grootste deel ligt in beschermde gebieden.

Wetenschappelijke naam

Pogoniulus leucomystax | (Sharpe, 1892)

Sharpe beschreef de soort in 1892 als Barbatula leucomystax; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pogoniulus werd in 1842 ingevoerd door De Lafresnaye. Pogoniulus is een verkleinvorm van Pogonias, van het Griekse pōgōnias, 'gebaard' — dus 'baardvogeltje', passend bij deze kleinste baardvogels. leucomystax komt van het Griekse leukos, 'wit', en mystax, 'snor' — naar de witte snorstreep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sotik, Kenia.