Alle soorten › Hoppen en neushoornvogels › Neushoornvogels › Gekroonde tok

Gekroonde tok | Lophoceros alboterminatus

Crowned Hornbill | Toco Coronado

De gekroonde tok is de donkere neushoornvogel van de oostelijke bossen, met een rode snavel met een hoge helm en een witte buik. Hij leeft in paren of kleine groepen in de kruinen van kust-, rivier- en bergbos en valt op door zijn trage, golvende vlucht over het bladerdak.

Gekroonde tok (Lophoceros alboterminatus)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een reeks klagelijke fluittonen, tjliejoe tjliejoe tjliejoe, met de snavel omhoog, en een zacht klokkend gekakel binnen de groep.

Luister: RoepXC444684

Opname: James Bradley — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 54 cm. Kop, hals, borst, bovendelen en staart zijn donker roetbruin, de buik is wit en de staartpennen, behalve het middelste paar, hebben witte punten. De snavel is oranjerood met een smalle gele band aan de basis en een hoge, gekartelde helm over de bovensnavel, bij het vrouwtje kleiner. De iris is geel, de naakte huid rond het oog en op de keel zwartachtig. Jonge vogels hebben een kleinere, oranjegele snavel zonder helm en grijze ogen. Vliegt met langzame slagen afgewisseld door glijvluchten.

Verwarrings­soorten

Bradfields tok (Lophoceros bradfieldi) van het droge westen is lichter bruin en heeft een oranje snavel zonder duidelijke helm; de verspreidingsgebieden overlappen nauwelijks. De grijze tok (Lophoceros nasutus) is grijsbruin met lichte randjes op de vleugels en een donkere snavel. De trompetneushoornvogel (Bycanistes bucinator) is veel groter en zwart-wit, met een grijze snavel en roze gezichtshuid. De diksnaveltok (Lophoceros pallidirostris) van de miombo heeft een lichte, hoornkleurige snavel.

Leefgebied

Kustbos, rivierbos, droog en vochtig laaglandbos, bergbos en dichte, beboste kloven, ook aangrenzend dicht bosveld en tuinen met vruchtdragende bomen. Eet vruchten, insecten en kleine gewervelden, gevangen in het bladerdak of in vlucht. Broedt in boomholten, waarin het vrouwtje zich met modder inmetselt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het oosten van het gebied: de Oost-Kaap, KwaZulu-Natal, Mpumalanga en Limpopo in Zuid-Afrika, Eswatini, Mozambique, het oosten van Zimbabwe en de Zambezivallei, Malawi, Zambia en een groot deel van Angola. Ontbreekt in het droge westen en binnenland. Verder noordwaarts via Tanzania en Kenia tot Ethiopië en in de Democratische Republiek Congo.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het hele jaar aanwezig; goed te zien in de kustbossen van KwaZulu-Natal en de Oost-Kaap en in de beboste kloven van Mpumalanga. Buiten de broedtijd trekken groepen soms van meer dan tien vogels rond naar vruchtdragende bomen, wat een goede kans geeft ze samen te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in geschikt bos vrij algemeen. De soort is afhankelijk van inheems bos en van bomen met holten, zodat ontbossing van kust- en laaglandbos haar plaatselijk heeft teruggedrongen.

Wetenschappelijke naam

Lophoceros alboterminatus | Büttikofer, 1889

Büttikofer beschreef de soort in 1889 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Lophoceros werd in 1833 ingevoerd door Hemprich & Ehrenberg. Lophoceros komt van het Griekse lophos, 'kam, kuif', en keras, 'hoorn' — naar de kamvormige verhoging (casque) op de snavel. alboterminatus komt van het Latijnse albus, 'wit', en terminatus, 'met een uiteinde' — naar de witte punten van de buitenste staartpennen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gambos, bovenloop van de Cunene, Angola.