Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Granta-astrild

Granta-astrild | Pyrenestes minor

Lesser Seedcracker | Estrilda Piquigorda Chica

De granta-astrild is een schuwe, weinig bekende astrild met een onevenredig zware, glanzend zwarte snavel, waarmee hij de harde zaden van zeggen kraakt. Hij leeft verborgen in dichte oevervegetatie in het oosten van het gebied.

Granta-astrild (Pyrenestes minor)
Foto: (c) William Stephens, some rights reserved (CC BY) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een scherp, metalig tsiek en een zacht getjilp; de zang is een melodieuze reeks piepende en trillende tonen. Wordt vaak alleen aan de roep uit dicht gewas opgemerkt.

Luister: RoepXC440094

Opname: Daniel Lopez Velasco — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13 tot 14 cm, met een zeer zware, glanzend zwarte kegelsnavel. Het mannetje is olijfbruin met een karmijnrood voorhoofd, gezicht, keel en bovenborst, een rode stuit en een roodbruine staart. Het vrouwtje heeft minder rood op de kop, vaak beperkt tot voorhoofd, teugel en kin, maar wel de rode stuit en staart. Jonge vogels zijn egaal olijfbruin met een roodbruine staart en een donkere snavel.

Verwarrings­soorten

De Reichenows bergastrild (Cryptospiza reichenovii) heeft een veel kleinere snavel, rood alleen rond het oog en een donkerrode rug, en leeft in bergbos. De rode druppelastrild (Hypargos niveoguttatus) heeft een rood gezicht en borst, maar een zwarte buik met witte stippen en een fijne snavel. Het mannetje van de purperastrild (Pyrenestes ostrinus) is grotendeels zwart en komt alleen in het noordwesten van het gebied voor, zonder overlap.

Leefgebied

Dichte, ruige vegetatie langs bosranden en beken in laagland en middelgebergte: ruig gras, zeggen, bramen en struiken aan de rand van bos, bamboe en plantages, ook in verlaten tuinen. Eet vooral harde zaden van zeggen (Scleria) en grassen, die hij met de zware snavel kraakt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in het zuiden en midden van Malawi (onder meer het Shire-hoogland, Mulanje en Zomba), het midden en noorden van Mozambique en het oosten van Zimbabwe (Chimanimani, Haroni-Rusitu en de laaglanden rond Mutare). Verder alleen in het zuiden en oosten van Tanzania. Meldingen uit Zuid-Afrika zijn niet bevestigd.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Zimbabwe zijn het Haroni-Rusitu-gebied en de Burma Valley bij Mutare de beste plekken; wacht in de vroege ochtend bij de rand van dicht gewas of bij een drinkplek aan een stroompje. De soort is schuw en vliegt snel en laag weg; let op de rode stuit en de onevenredig grote snavel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Schaars en plaatselijk, en vermoedelijk vaak over het hoofd gezien. Kaalslag van bosranden en oevervegetatie voor landbouw is binnen het gebied de belangrijkste bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Pyrenestes minor | Shelley, 1894

Shelley beschreef de soort in 1894 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Pyrenestes werd in 1836 ingevoerd door Swainson. Pyrenestes combineert het Griekse pyrēn, 'vruchtpit', met -estēs, 'eter' — naar de zware snavel waarmee deze vogels harde zaden kraken. minor is Latijn voor 'kleiner' — deze soort is kleiner en fijner gesnaveld dan de verwante purperastrild. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zomba, Malawi.