Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Grauwe pijlstormvogel

Grauwe pijlstormvogel | Ardenna grisea

Sooty Shearwater | Pardela Sombría

De grauwe pijlstormvogel is een donkere, slanke pijlstormvogel met opvallend zilverwitte ondervleugeldekveren. Hij is een van de meest trekkende vogels ter wereld: vanuit broedkolonies op het zuidelijk halfrond leggen de vogels elk jaar een lus van tienduizenden kilometers af door de Grote en de Atlantische Oceaan.

Grauwe pijlstormvogel (Ardenna grisea)
Foto: JJ Harrison (https://www.jjharrison.com.au/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgzaam. In de broedkolonies 's nachts een kreunend, schor koe-wie-oe vanuit de holen.

Luister: ZangXC1091011

Opname: David Boyle — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Middelgroot, 40 tot 51 cm, met lange, smalle en iets naar achteren geknikte vleugels. Het verenkleed is egaal donker roetbruin, de keel soms iets lichter. Het kenmerk is de zilvergrijze tot witte baan over de ondervleugeldekveren, die in het licht oplicht en naar de vleugelbasis breder wordt. De slanke snavel is donkergrijs, de poten zijn grijsachtig. Seksen gelijk. Vliegt snel en doelgericht, met reeksen stijve, snelle slagen afgewisseld met hoge boogvluchten bij harde wind.

Verwarrings­soorten

De Australische grote pijlstormvogel (Ardenna carneipes) is zwaarder, met een lichtroze snavel met donkere punt, bleke poten en een geheel donkere ondervleugel. De witkinstormvogel (Procellaria aequinoctialis) is groter en forser, met een bleke, hoornkleurige snavel en een donkere ondervleugel. De langvleugelstormvogel (Pterodroma macroptera) heeft een korte, dikke zwarte snavel, een donkere ondervleugel en een wilde, zwenkende vlucht. Jonge jagers, zoals de middelste jager (Stercorarius pomarinus), hebben lichte vlekken aan de basis van de handpennen en een andere vlucht.

Leefgebied

Open zee, zowel boven het continentale plat als daarbuiten; komt vaker dan andere pijlstormvogels dicht onder de kust. Duikt achter prooi aan tot tientallen meters diep en jaagt op scholen kleine vis, krill en inktvis. Vormt grote groepen die op het water rusten of in lange linten langs de kust trekken. Broedt in holen op eilanden met graspollen of bos.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Jaarrond voor de kust van Namibië en de West- en Zuidkaap, vooral in de zuidelijke winter, wanneer soms duizenden vogels dicht onder de kust foerageren; kleinere aantallen langs de oostkust tot in KwaZulu-Natal en Mozambique en schaars in de wateren rond de Prins Edwardeilanden. Broedt rond Nieuw-Zeeland, in Zuidoost-Australië, Zuid-Chili en op de Falklandeilanden, en trekt na de broedtijd naar de noordelijke Grote en Atlantische Oceaan.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de zuidelijke winter vaak vanaf de kust te zien, bijvoorbeeld bij Kaappunt, Walvisbaai en Lüderitz, als lange linten donkere vogels die laag over de golven trekken. Let in goed licht op de flitsende zilveren ondervleugel. Bij de trawlers blijft de soort meestal op de achtergrond; hij duikt liever zelf op scholen vis.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De wereldpopulatie is groot, maar is door bijvangst in de visserij, de traditionele oogst van jongen in Nieuw-Zeeland en veranderingen in de voedselketen door opwarming van de zee afgenomen.

Wetenschappelijke naam

Ardenna grisea | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Procellaria grisea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ardenna werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Ardenna gaat terug op Artenna, de spelling die de Italiaanse natuuronderzoeker Ulisse Aldrovandi in 1603 voor een zeevogel gebruikte en die Reichenbach bij de naamgeving aanhaalde. grisea is middeleeuws Latijn voor 'grijs'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nieuw-Zeeland.