Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Grote pijlstormvogel

Grote pijlstormvogel | Ardenna gravis

Great Shearwater | Pardela Capirotada

De grote pijlstormvogel is een forse, contrastrijke pijlstormvogel met een donkere kap, die vrijwel volledig op een handvol eilanden in de Zuid-Atlantische Oceaan broedt, vooral in de Tristan da Cunha-groep en op Gough. Na de broedtijd trekt vrijwel de hele populatie in een grote lus naar de noordelijke Atlantische Oceaan.

Grote pijlstormvogel (Ardenna gravis)
Foto: DickDaniels (http://theworldbirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee meestal zwijgzaam, maar bij vis- en afvalbuien rond trawlers luid krijsend en kibbelend. In de kolonies 's nachts een aanhoudend jammerend eeoo-eeoo, dat door duizenden vogels tegelijk wordt voortgebracht.

Luister: RoepXC1180183

Opname: Sven Normant — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Groot, 43 tot 51 cm, met lange, vrij smalle vleugels. De bovendelen zijn grijsbruin met lichte randen die een geschubd patroon vormen. Een scherp begrensde, zwartbruine kap reikt tot onder het oog en wordt van de rug gescheiden door een witte nekband. De stuit toont een duidelijke witte hoefijzervormige band boven de donkere staart. De onderdelen zijn wit met een vuile donkere vlek op de buik en donkere onderstaartdekveren; de witte ondervleugel heeft donkere randen en donkere streepjes over de dekveren. De slanke snavel is donker. Vliegt stijver en sneller dan de Scopoli's pijlstormvogel, met snelle vleugelslagen en korte glijvluchten.

Verwarrings­soorten

De Scopoli's pijlstormvogel (Calonectris diomedea) heeft een gele snavel, een zachtgrijze kop zonder scherpe kap, geen witte stuitband en een schone witte buik. De witkopstormvogel (Pterodroma lessonii) heeft een witte kop en een donkere ondervleugel. Schlegels stormvogel (Pterodroma incerta) heeft een donkere borst en een geheel donkere ondervleugel. Op afstand kan de combinatie van kap, nekband en stuitband ook aan een jonge albatros doen denken, maar die is veel groter.

Leefgebied

Open zee, vooral boven de rand van het continentale plat en in koud, voedselrijk water. Duikt en grijpt vis en inktvis aan het oppervlak en volgt graag trawlers en walvissen. Rust in dichte groepen op het water. Broedt in holen tussen graspollen op subantarctische eilanden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Trekt in groten getale langs de westkust, van de Namibische wateren tot de West- en Zuidkaap, vooral in het voorjaar en het najaar; in de zomer ook regelmatig bij trawlers op de Agulhasbank. Zeldzaam ten oosten van Port Elizabeth en slechts uitzonderlijk voor KwaZulu-Natal en Mozambique. Broedt op Tristan da Cunha, Nightingale, Inaccessible, Gough en in klein aantal op de Falklandeilanden; overwintert in de noordelijke Atlantische Oceaan, tot bij Groenland en voor West-Europa.

  • Jaarrond
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Pelagische tochten vanuit Kaapstad in oktober-november en in maart-april leveren soms honderden vogels op bij de trawlers. Let op de donkere kap met witte nekband en de witte stuit, die het best zichtbaar zijn als de vogel boven het water zwenkt. Vanaf de kust wordt de soort zelden gezien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De wereldpopulatie telt miljoenen paren, vrijwel allemaal op Nightingale, Inaccessible en Gough. Bijvangst in de beugvisserij en de invloed van ingevoerde muizen op Gough, waar deze jongen aanvallen, zijn de voornaamste bedreigingen; op Gough is een project om de muizen uit te roeien gaande.

Wetenschappelijke naam

Ardenna gravis | (O'Reilly, 1818)

O'Reilly beschreef de soort in 1818 als Procellaria Gravis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ardenna werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Ardenna gaat terug op Artenna, de spelling die de Italiaanse natuuronderzoeker Ulisse Aldrovandi in 1603 voor een zeevogel gebruikte en die Reichenbach bij de naamgeving aanhaalde. gravis is Latijn voor 'zwaar' of 'gewichtig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap Farvel op Groenland.