Alle soorten › Zangvogels › Honingzuigers › Grijskinhoningzuiger

Grijskinhoningzuiger | Anthreptes tephrolaemus

Grey-Chinned Sunbird | Suimanga Barbigrís

De grijskinhoningzuiger is een kleine, kortsnavelige honingzuiger van het regenwoud, met een metaalgroene bovenzijde, een grijze kin en keel en een smalle oranje borstband. Hij werd lang als vorm van de West-Afrikaanse geelkinhoningzuiger (Anthreptes rectirostris) gezien, maar wordt nu als aparte soort erkend.

Grijskinhoningzuiger (Anthreptes tephrolaemus)
Foto: Tommy Andriollo — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een scherp, dun tsip en een snelle serie hoge tsie-noten. De zang is een kort, hoog en wat schril gekwetter, vanuit het kronendak.

Luister: RoepXC396117

Opname: James Bradley — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 10 cm, met een korte, rechte snavel. Het mannetje is boven, op de kop en op de wangen glanzend metaalgroen. De kin en keel zijn grijs, daaronder volgt een smalle oranje tot oranjegele borstband; de buik is grijsachtig tot bleekgeel, met gele okselpluimen. Het vrouwtje is olijfgroen boven, met een grijze keel en lichtgele onderdelen, zonder borstband. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn groener onder.

Verwarrings­soorten

De halsbandhoningzuiger (Hedydipna collaris) is kleiner, en het mannetje heeft een metaalgroene keel met een smalle paarse borstband boven een gele buik. Het mannetje van de olijfbuikhoningzuiger (Cinnyris chloropygius) heeft een gebogen snavel, een groene keel en een rode borstband. De kortstaarthoningzuiger (Anthreptes seimundi) mist elke glans. Vrouwtjes zijn het best te herkennen aan de korte rechte snavel in combinatie met de grijze keel.

Leefgebied

Kronendak en randen van laaglandregenwoud en oud secundair bos, galerijbos en bosranden met hoge bomen. Foerageert vooral op insecten en spinnen tussen het blad, vaak in gemengde groepen, en bezoekt ook bloeiende bomen en maretakken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied alleen in het noorden van Angola, in Cabinda en de bossen van Uíge en Cuanza Norte. Daarbuiten van Nigeria en Kameroen door het Kongobekken tot Oeganda, West-Kenia en Noordwest-Tanzania. De geelkinhoningzuiger leeft alleen van Sierra Leone tot Ghana.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de bosgebieden van Noord-Angola naar gemengde groepen in het kronendak en let op een klein, groen glanzend mannetje met een grijze keel en een oranje bandje.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is in het regenwoud wijdverspreid, maar in Angola plaatselijk en afhankelijk van de resterende bossen in het noorden, die worden gekapt voor hout en landbouw.

Wetenschappelijke naam

Anthreptes tephrolaemus | (Jardine & Fraser, 1852)

Jardine & Fraser beschreef de soort in 1852 als Nectarinia tephrolaemus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anthreptes werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Anthreptes komt van het Griekse anthos, 'bloem', en threptēs, 'voeder, eter' — naar het drinken van nectar uit bloemen. tephrolaemus komt van het Griekse tephros, 'asgrauw', en laimos, 'keel' — naar de grijze keel van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bioko (Fernando Po), Equatoriaal-Guinea.