Alle soorten › Zangvogels › Honingzuigers › Kortstaarthoningzuiger

Kortstaarthoningzuiger | Anthreptes seimundi

Little Green Sunbird | Suimanga de Seimund

De kortstaarthoningzuiger is een van de kleinste honingzuigers van Afrika: een effen olijfgroen vogeltje met een korte staart en een korte, bijna rechte snavel, zonder enige metaalglans. Hij leeft in het kronendak van regenwoud en valt eerder op door zijn gedrag dan door zijn kleed.

Kortstaarthoningzuiger (Anthreptes seimundi)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, hoog tsip of tsjip, meestal het eerste teken van de soort in het bladerdak. De zang is een kort, piepend gekwetter van enkele hoge noten.

Luister: RoepXC315838

Opname: Étienne Leroy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 9 cm, gedrongen, met een opvallend korte, recht afgesneden staart en een korte snavel. De bovendelen zijn effen olijfgroen, de onderdelen lichter geelachtig olijf, het midden van de buik geler. Rond het oog zit een smalle, lichte ring. Het mannetje heeft kleine gele okselpluimen; verder zijn de seksen gelijk. Jonge vogels zijn wat grijzer. Beweegt snel en rusteloos door het blad, vaak hangend als een mees.

Verwarrings­soorten

De roodpluimhoningzuiger (Deleornis fraseri) is eveneens effen groen met een rechte snavel, maar groter en langstaartiger, met oranjerode okselpluimen bij het mannetje. De olijfgroene honingzuiger (Cyanomitra olivacea) is veel groter, met een lange gebogen snavel. Vrouwtjes van de halsbandhoningzuiger (Hedydipna collaris) en de olijfbuikhoningzuiger (Cinnyris chloropygius) hebben respectievelijk een groen glanzende rug of een gebogen snavel. Let ook op kleine groene zangers zoals eremomela's en camaroptera's, die geen nectar drinken en een andere snavelvorm hebben.

Leefgebied

Kronendak en bosranden van laaglandregenwoud, oude secundaire bossen, galerijbos en koffie- en cacaoaanplant onder schaduwbomen. Foerageert vooral op insecten en spinnen tussen het blad en bezoekt daarnaast bloeiende maretakken en bomen, vaak met gemengde groepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied alleen in het noorden van Angola, in Cabinda, de noordwestelijke provincies (onder meer Uíge en Cuanza Norte) en het noordoosten (Lunda Norte). Daarbuiten van Sierra Leone door het West- en Centraal-Afrikaanse regenwoud tot Oeganda, Congo-Kinshasa en Bioko.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in het bosgebied van Noord-Angola naar gemengde groepen in het kronendak en richt de verrekijker op de kleinste, onrustig bewegende groene vogel. De korte staart en het ontbreken van elke glans maken hem, bij goed zicht, herkenbaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in het regenwoud wijdverspreid. In Angola is de soort plaatselijk en afhankelijk van de resterende bossen in het noorden, die onder druk staan van kap en landbouw.

Wetenschappelijke naam

Anthreptes seimundi | (Ogilvie-Grant, 1908)

Ogilvie-Grant beschreef de soort in 1908 als Cinnyris seimundi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anthreptes werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Anthreptes komt van het Griekse anthos, 'bloem', en threptēs, 'voeder, eter' — naar het drinken van nectar uit bloemen. seimundi eert de Britse preparateur Eibert Carl Henry Seimund (?1878–1942), die verzamelde in Zuid-Afrika (1899–1903), op Fernando Po (Bioko, 1904) en in Malakka (1906–1916). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Banterbari, Bioko (Fernando Po), Equatoriaal-Guinea.