Alle soorten › Zangvogels › Zwaluwen › Grijsstuitzwaluw

Grijsstuitzwaluw | Pseudhirundo griseopyga

Grey-Rumped Swallow | Golondrina Culigrís

De grijsstuitzwaluw is een kleine, fijngebouwde zwaluw met een grijsbruine kruin en stuit en een diep gevorkte staart. Hij broedt, uniek onder de zwaluwen van het gebied, in holen van knaagdieren in vlak terrein en doet dat in de droge tijd.

Grijsstuitzwaluw (Pseudhirundo griseopyga)
Foto: murraykeeton — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een zacht, droog tsjrrp of tsjerp in de vlucht; de zang is een onopvallend, zacht gekwetter.

Luister: VluchtroepXC745610

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm, met een diep gevorkte staart zonder witte vlekken. Kruin en nek dof grijsbruin, duidelijk afstekend tegen de glanzend blauwzwarte mantel en vleugels. De stuit en bovenstaartdekveren zijn licht grijsbruin, wat in de vlucht een vale band vormt. Onderdelen vuilwit met grijzige borstzijden; ondervleugeldekveren lichtgrijs. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn bruiner, met minder glans en een kortere staart. Vliegt licht en fladderend, vaak laag boven de grond en in kleine groepjes.

Verwarrings­soorten

De huiszwaluw Delichon urbicum heeft een zuiverwitte stuit, een blauwzwarte kruin en een minder diep gevorkte staart. De parelborstzwaluw Hirundo dimidiata heeft een blauwzwarte kruin zonder grijze stuit en een zuiverwitte onderzijde. De oeverzwaluw Riparia riparia en de vale oeverzwaluw Riparia paludicola zijn bruin van boven, zonder blauwe glans. De pijlstaartgierzwaluw Apus caffer heeft een smalle witte stuit, maar is een gierzwaluw met sikkelvleugels en een zwarte onderzijde. De combinatie van grijze kruin, grijze stuit en fladderende vlucht laag boven kort gras is kenmerkend.

Leefgebied

Kort grasland in de buurt van water: overstromingsvlakten, randen van pannen en vleien, drooggevallen rivierbeddingen, landingsbanen, sportvelden en pas afgebrand grasland. Nestelt in verlaten holen van knaagdieren in vlakke grond, soms in holen in een lage oever.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique en Zimbabwe, het noorden van Botswana (Okavangodelta en Chobe) en het noordoosten van Namibië (Kavango en Zambezi-regio). In Zuid-Afrika vooral in het noorden van KwaZulu-Natal en plaatselijk in het laagveld van Mpumalanga en Limpopo, waar hij vooral in de wintermaanden verschijnt. Daarbuiten wijdverspreid in Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de droge tijd boven kort gras bij water, bijvoorbeeld op de overstromingsvlakten langs de Chobe en in de Okavango, of op de kustvlakte van Noord-KwaZulu-Natal. De vogels zitten graag op de grond of op lage stengels; let bij elke kleine, laag fladderende zwaluw op de grijze kruin en de vale stuit.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; plaatselijk algemeen, maar nomadisch, zodat aantallen van jaar tot jaar sterk wisselen. Gevoelig voor verlies van overstromingsvlakten en voor vertrapping of omploegen van broedterreinen.

Wetenschappelijke naam

Pseudhirundo griseopyga | (Sundevall, 1850)

Sundevall beschreef de soort in 1850 als Hirundo griseopyga; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pseudhirundo werd in 1922 ingevoerd door Roberts. Pseudhirundo komt van het Griekse pseudos, 'vals', en het Latijnse hirundo, 'zwaluw' — een 'schijnzwaluw' die op de echte zwaluwen lijkt maar apart werd geplaatst. griseopyga komt van het Latijnse griseus, 'grijs', en het Griekse pugē, 'stuit' — naar de grijze stuit. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Durban, Zuid-Afrika.