Alle soorten › Zangvogels › Zwaluwen › Kaapse rotszwaluw

Kaapse rotszwaluw | Ptyonoprogne fuligula

Large Rock Martin | Avión Isabel Meridional

De Kaapse rotszwaluw is een forse, egaal bruine zwaluw van kliffen, kloven en gebouwen. Hij glijdt rustig heen en weer langs rotswanden en gevels en toont bij elke draai de rij witte vlekjes in de gespreide staart.

Kaapse rotszwaluw (Ptyonoprogne fuligula)
Foto: Frank Vassen from Brussels, Belgium — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Stil; een zacht twee of trrt, en bij het nest een zacht, kwetterend getjilp.

Luister: ZangXC776871

Opname: Lynette Rudman — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15 cm, stevig gebouwd, met brede vleugels en een korte, vrijwel rechte staart. De bovendelen zijn egaal grijsbruin. Keel en borst zijn warm roestbruin tot kaneelkleurig, de buik iets donkerder bruin; de ondervleugeldekveren zijn donker. In de gespreide staart valt een rij witte vlekken op de binnenvlaggen van de staartpennen op, behalve bij het middelste en buitenste paar. De seksen zijn gelijk; jonge vogels hebben lichte randjes op vleugel en rug. De vlucht is traag en zwevend, met korte reeksen vleugelslagen, veel glijden en abrupte keringen dicht langs de wand.

Verwarrings­soorten

De vale oeverzwaluw Riparia paludicola is kleiner en slanker, heeft geen witte staartvlekken, fladdert sneller en jaagt boven water, niet langs rotsen. De oeverzwaluw Riparia riparia is kleiner, met een witte keel en een bruine borstband. De witbrauwzwaluw Neophedina cincta is wit van onderen met een borstband. Jonge boerenzwaluwen Hirundo rustica hebben ook witte staartvlekken, maar zijn blauwzwart van boven en wit van onderen. In het noordoosten kan de Maskarenenzwaluw Phedina borbonica opduiken: die is gestreept van onderen en heeft geen witte staartvlekken.

Leefgebied

Kliffen, kloven, rotsige heuvels, steengroeven en dammen in bergland, van zeeniveau tot hoog in de Drakensberg; ook in steden en dorpen, waar hij onder dakranden, balkons, bruggen en in viaducten broedt. Bouwt een open schaalnest van modder tegen een rotswand of muur onder een overhang. Jaagt langs rotswanden en gevels op vliegende insecten, vaak in de luwte bij wind.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over vrijwel het hele gebied waar kliffen, heuvels of gebouwen zijn: heel Zuid-Afrika, Lesotho, Eswatini, Namibië (ook de Namib-escarpe), Botswana (vooral het oosten en de heuvels in het noordwesten), Zimbabwe, het westen van Mozambique, Malawi, Zambia en het westen en zuiden van Angola; ontbreekt in het vlakke Kalahari-zandveld en de Mozambikaanse kustvlakte. Buiten het gebied noordwaarts in bergachtig Oost- en Centraal-Afrika en plaatselijk in West-Afrika.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond aan vrijwel elke steile rotswand of hoge brug; in steden vaak het gemakkelijkst te zien bij kantoorgebouwen, kerktorens en parkeergarages. Wacht op een draai langs de wand: dan verschijnen de witte staartvlekken, het beste kenmerk ten opzichte van de kleinere bruine zwaluwen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en algemeen. Heeft geprofiteerd van gebouwen, bruggen en dammen, waardoor hij zich ook in vlakkere streken heeft gevestigd.

Wetenschappelijke naam

Ptyonoprogne fuligula | (Lichtenstein, 1842)

Lichtenstein beschreef de soort in 1842 als Hirundo fuligula; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ptyonoprogne werd in 1850 ingevoerd door Reichenbach. Ptyonoprogne is Grieks, van ptuon 'wan, waaier', naar de vorm van de gespreide staart, en Prokne, het meisje uit de mythe dat in een zwaluw veranderde. fuligula komt van het Latijnse fuligo, 'roet', en gula, 'keel' — naar het roetbruine verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Makhanda (Grahamstown), Oost-Kaap, Zuid-Afrika.