Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Grijze langstaartkoekoek

Grijze langstaartkoekoek | Cercococcyx mechowi

Dusky Long-Tailed Cuckoo | Cuco Colilargo Oscuro

De grijze langstaartkoekoek is een schuwe, donkere koekoek van het Centraal-Afrikaanse regenwoud, die in het gebied alleen het noorden van Angola bereikt. Met zijn lange, getrapte staart en korte vleugels lijkt hij eerder op een sperwer dan op een koekoek, maar vrijwel alle waarnemingen berusten op het geluid.

Grijze langstaartkoekoek (Cercococcyx mechowi)
Foto: Niall Perrins — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een driedelig fluitmotief, hu-hie-wieuw, de middelste toon het hoogst en de laatste lang en dalend; daarnaast een reeks tonen die eerst versnelt en dan vertraagt en daalt. Roept vaak vanuit de kroon, soms in paren, ook in de schemering en bij maanlicht.

Luister: ZangXC1142033

Opname: isaac kilusu — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

32–33 cm, waarvan de helft staart. Van boven donkerbruin met een paarsblauwe glans; de vleugeldekveren en slagpennen hebben kleine lichte, zeemkleurige en witte vlekjes. De onderzijde is wit tot vuilwit met brede zwartbruine dwarsbanden, het dichtst op borst en flanken. De staart is lang en getrapt, donker met lichte vlekken langs de randen en witte toppen. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben een zwartachtige keel en rossige randjes op de bovendelen. De vlucht is snel en rechtlijnig door het bos, met de lange staart als roer.

Verwarrings­soorten

De bruine langstaartkoekoek (Cercococcyx olivinus) komt in hetzelfde bos voor en is in het veld nauwelijks te onderscheiden: hij is van boven warmer olijfbruin, zonder paarse glans en met minder vlekjes op de vleugel, en heeft een ander geluid. Bij een vluchtige waarneming lijkt de soort op een jonge havik zoals de Afrikaanse havik (Aerospiza tachiro), maar die heeft een dikkere kop, een kortere staart en gele poten.

Leefgebied

Vochtig laaglandregenwoud met dichte ondergroei en lianen, verder hoog secundair bos en galerijbos langs rivieren. Foerageert in de ondergroei en de middelste bosetage, vooral op rupsen. Als broedparasiet zijn onder meer de blauwkopkuifmonarch en de bruine lijstertimalia bekend als waard.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied alleen in het noorden van Angola, in de regenwoudresten van Cabinda, Uíge, Cuanza Norte en de Lunda-provincies. Daarbuiten verspreid door het Congobekken, van Kameroen en Gabon oostwaarts tot Oeganda en het westen van Tanzania.

Hoe en wanneer kijken

Alleen gericht te zoeken in de noordelijke bossen van Angola, en dan op het geluid, vooral aan het begin van het regenseizoen. Blijf stil staan bij een roepende vogel en zoek de middelste bosetage af: de vogel zit roerloos op een horizontale tak en verraadt zich pas als hij met de staart wipt of wegvliegt. Een geluidsopname vooraf beluisteren helpt om hem van de bruine langstaartkoekoek te scheiden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de populatie geldt als stabiel binnen het grote Centraal-Afrikaanse bosgebied. In Angola is de soort slecht bekend en afhankelijk van versnipperde bosresten die onder druk staan van kap en landbouw.

Wetenschappelijke naam

Cercococcyx mechowi | Cabanis, 1882

Cabanis beschreef de soort in 1882 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cercococcyx voerde hij in datzelfde werk in. Cercococcyx komt van het Griekse kerkos, 'staart', en kokkyx, 'koekoek' — naar de uitzonderlijk lange staart. mechowi eert de Pruisische majoor en ontdekkingsreiziger Friedrich Wilhelm Alexander von Mechow (1831–1890), die in 1873–1875 en 1879–1882 in Angola verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Angola.