Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Grijze stormvogel
Grijze stormvogel | Fulmarus glacialoides
Southern Fulmar | Fulmar Sureño
De grijze stormvogel is de zuidelijke tegenhanger van de noordse stormvogel: een zilvergrijze, meeuwachtige stormvogel van het pakijs die in koude winters tot voor de Kaap trekt. Voor vogelaars in zuidelijk Afrika is hij een begeerde, onregelmatige gast.
Geluid
Op zee zwijgzaam, behalve schor gekakel in ruzies om voedsel. In de kolonie kakelende en krassende roepen tussen partners.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
45–50 cm, fors en kortnekkig, met een ronde kop en een dikke snavel. Bovendelen zijn licht zilvergrijs, de handpennen donkergrijs tot zwartachtig met een opvallend wit vlak aan de basis van de binnenste handpennen. Kop en onderdelen zijn wit, de ondervleugel wit met een smalle grijze achterrand. De snavel is roze met een blauwgrijze buisneus en een donkere punt; de poten zijn vleeskleurig. Seksen en leeftijden zijn gelijk. Vliegt met stijve, snelle slagen en lange glijvluchten, bij harde wind in hoge bogen.
Verwarringssoorten
Meeuwen zoals de Hartlaubs meeuw Chroicocephalus hartlaubii en de kelpmeeuw Larus dominicanus vliegen met gebogen vleugels en missen de buisneussnavel en de stijve stormvogelvlucht. De blauwe stormvogel Halobaena caerulea en de prionen, zoals de Antarctische prion Pachyptila desolata, zijn veel kleiner, blauwgrijs, met een donkere M-tekening over de bovenvleugel. De Kaapse stormvogel Daption capense is zwart-wit geblokt.
Leefgebied
Koude wateren van de Zuidelijke Oceaan, langs de pakijsrand en boven het continentale plat; in de winter naar koude stromingen als de Benguelastroom. Eet krill, vis, inktvis en afval, al zwemmend of met korte duikjes, en volgt schepen. Broedt op steile kliffen en rotsrichels langs de kust van Antarctica en nabijgelegen eilanden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Onregelmatige wintergast voor de West-Kaap, meestal in kleine aantallen maar in sommige koude winters in tientallen; verder langs de westkust tot Namibië, zeldzaam langs de zuidkust en in KwaZulu-Natal. Dwaalgast rond de Prins Edwardeilanden. Broedt circumpolair langs de kust van Antarctica en op de Zuidelijke Orkney-, Shetland- en Sandwicheilanden, Bouvet en Peter I-eiland; overwintert noordwaarts tot in de Humboldtstroom, voor Argentinië en rond Zuid-Australië en Nieuw-Zeeland.
- Wintergast (ca. apr–sep)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kans is een pelagische tocht uit Kaapstad in juli tot september na een reeks koude fronten. De vogel mengt zich tussen Kaapse stormvogels en albatrossen achter trawlers en valt op door de lichtgrijze kleur met witte vleugelvlakken. Waarnemingen komen vaak in golven: als er één gemeld is, zijn er meestal meer.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, met een wereldpopulatie van naar schatting enkele miljoenen vogels. Omdat de soort grotendeels op krill en ijsgebonden prooien leunt, kan het afnemende zee-ijs op lange termijn gevolgen hebben; bijvangst speelt een kleine rol.
Wetenschappelijke naam
Fulmarus glacialoides | (Smith, 1840)
Smith beschreef de soort in 1840 als Procellaria glacialoides; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Fulmarus werd in 1826 ingevoerd door Stephens. Fulmarus gaat terug op het Oudnoorse fúlmár 'vuile meeuw', naar de gewoonte van deze vogels een stinkende olie uit te braken. glacialoides betekent 'lijkend op glacialis' — naar de gelijkenis met de noordelijke Noordse Stormvogel Fulmarus glacialis, de 'ijzige'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zee rond de Kaap, Zuid-Afrika.
