Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Grote zilverreiger

Grote zilverreiger | Ardea alba

Great Egret | Garceta Grande

De grote zilverreiger is de grootste witte reiger van het gebied, bijna zo groot als een blauwe reiger. Hij jaagt statig en geduldig, met de lange hals in een scherpe knik, en valt in elk moeras van ver op.

Grote zilverreiger (Ardea alba)
Foto: evergladesnps — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. Bij verstoring of opvliegen een laag, schor en ratelend kraa of krrrak; in de kolonie diepe kraak- en gorgelgeluiden.

Luister: VluchtroepXC1166667

Opname: Esperanza Poveda — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 95 cm, geheel wit, met een zeer lange, dunne hals die in rust en bij het jagen een duidelijke knik vertoont. De snavel is meestal geel en lang en dolkvormig; een zwarte mondhoeklijn loopt tot achter het oog, het beste kenmerk. In de broedtijd wordt de snavel zwart, lopen de teugels smaragdgroen aan, worden de bovenpoten roze tot geel en groeien lange sluierveren op de rug, die tot voorbij de staart reiken. De poten en voeten zijn zwart. De seksen zijn gelijk. Vliegt met trage, diepe vleugelslagen, de hals in een diepe S en lange poten die ver achter de staart uitsteken.

Verwarrings­soorten

Geelsnavelzilverreiger Ardea brachyrhyncha is duidelijk kleiner, met een kortere hals zonder scherpe knik, een kortere snavel en een mondhoek die niet tot achter het oog loopt; de bovenpoten zijn vaak geelachtig. Kleine zilverreiger Egretta garzetta is veel kleiner, met een zwarte snavel en gele tenen. Koereiger Ardea ibis is klein en gedrongen, met een korte, dikke gele snavel.

Leefgebied

Ondiep water van allerlei aard: rivieren, dammen, pannen, moerassen, overstroomde graslanden, estuaria en getijdenslikken, meestal met open oevers. Jaagt staand of langzaam schrijdend op vis, kikkers en insecten, soms ook op kleine knaagdieren. Broedt in gemengde kolonies in riet of bomen boven water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over het grootste deel van het gebied verspreid, het talrijkst in het noorden van Botswana, Zambia, Malawi, Zimbabwe, Mozambique en het oosten en noorden van Zuid-Afrika; verspreid tot in de Kaapprovincies; schaars in de droogste delen van Namibië en de Karoo. Daarbuiten in vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara, Madagaskar en de gematigde en tropische delen van Europa, Azië, Australazië en Amerika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het hele jaar aanwezig bij grotere wetlands, zoals de Okavangodelta, de Chobe, de Kafue Flats, Nylsvley en de estuaria van KwaZoeloe-Natal. Let bij witte reigers op de verhouding tussen snavel en kop en op de mondhoeklijn: loopt die tot achter het oog, dan is het deze soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en wijdverspreid. Plaatselijk afhankelijk van de toestand van grote wetlands; drooglegging, vervuiling en verstoring van kolonies spelen een rol.

Wetenschappelijke naam

Ardea alba | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Ardea voerde hij in datzelfde werk in. Ardea is het Latijnse woord voor 'reiger'. alba is Latijn voor 'wit'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Europa.