Alle soorten › Pelikaanachtigen › Hamerkop › Hamerkop

Hamerkop | Scopus umbretta

Hamerkop | Avemartillo

De hamerkop is een egaal bruine waadvogel met een zware, zijdelings afgeplatte snavel en een dikke kuif die naar achteren wijst, zodat het silhouet van de kop op een hamer lijkt. Hij bouwt een koepelvormig takkennest van meer dan een meter doorsnede, het grootste nest van alle Afrikaanse vogels ten opzichte van de bouwer.

Hamerkop (Scopus umbretta)
Foto: Voidoffrogs — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide, hoge en nasale roep, jip-purr, en een snel ratelend gekakel, kek-kek-kek-kek, meestal in de vlucht of tijdens groepsbijeenkomsten waarbij vijf tot tien vogels rond elkaar draaien, op elkaars rug klimmen en aanhoudend roepen.

Luister: ZangXC810779

Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 55 cm, geheel dofbruin met een zwakke paarse glans op de rug en een vage bandering op de staart. De snavel is zwart, hoog en zijdelings samengedrukt, met een haakje aan de punt. De naar achteren gerichte nekkuif vormt samen met de snavel de hamervormige kop. De poten zijn kort en zwart, met een gedeeltelijke zwemvlies tussen de middelste tenen. De seksen zijn gelijk en jonge vogels lijken op de volwassen vogels. Vliegt met halfingetrokken nek, trage diepe vleugelslagen en soms in kringen zwevend.

Verwarrings­soorten

Binnen het verspreidingsgebied geen verwarring mogelijk: geen andere bruine waadvogel heeft deze hamervormige kop. Op afstand of in vlucht kan de silhouet aan een bruine roofvogel of een ibis doen denken, maar de zware snavel met de nekkuif in één lijn maakt de soort direct onmiskenbaar.

Leefgebied

Randen van rivieren, beken, pannen, dammen, estuaria en tijdelijke poelen, tot in irrigatiesloten en veedrinkplaatsen. Schuifelt met de voeten in ondiep water om prooi op te jagen, fladdert kort en steekt toe. Het voedsel bestaat vooral uit amfibieën, in het bijzonder klauwkikkers, verder uit larven, kleine vissen en waterinsecten. Voor het nest zijn een boomvork of een rotsrichel nodig.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over vrijwel het hele gebied verspreid, overal waar zoet water met ondiepe oevers ligt; schaars in de droogste delen van Namibië en de westelijke Karoo. Verder over vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara, en daarbuiten op Madagaskar en in het zuidwesten van het Arabisch Schiereiland.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond langs elke ondiepe waterkant, het best in de vroege ochtend en de late middag wanneer de vogel langzaam door het water waadt. Het nest is vaak eerder te vinden dan de vogel zelf: een massieve bol takken in een oeverboom of op een richel, met een nauwe ingang aan de onderzijde. Een paar bouwt soms meerdere nesten in één seizoen; verlaten nesten worden gebruikt door uilen, ganzen en genetkatten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en over het hele areaal wijdverspreid. Plaatselijk lopen aantallen terug door het droogleggen van moerassen, achteruitgang van amfibieën en het gebruik van bestrijdingsmiddelen. In delen van het gebied speelt de vogel een rol in lokale overlevering, wat nest en vogel enige bescherming tegen verstoring geeft.

Wetenschappelijke naam

Scopus umbretta | Gmelin, 1789

Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Scopus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Scopus is afgeleid van het Griekse skia, 'schaduw'; ook de soortnaam umbretta, 'omberkleurig, donkerbruin', verwijst naar het doffe bruine verenkleed van de hamerkop. umbretta gaat terug op het Franse 'ombrette', 'schaduwtje', naar de egaal donkerbruine kleur van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.