Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Herdersplevier

Herdersplevier | Anarhynchus pecuarius

Kittlitz's Plover | Chorlitejo Pecuario

De herdersplevier is een kleine, hoogpotige plevier van droge slikranden en kortgegraasde oevers, die vaak een eindje van het water af staat. Het broedkleed, met een zwarte en witte kopbandering en een warm roomgele onderkant, is uniek in het gebied; bij het verlaten van het nest schopt de vogel zand over de eieren.

Herdersplevier (Anarhynchus pecuarius)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een korte, droge tip of tip-pip en een kort, fluitend pipip bij opvliegen; in de balts een ratelend trillertje.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

14–16 cm. Volwassen vogels hebben een zwarte streep over het voorhoofd en een zwarte oogstreep die doorloopt tot in de nek, met daarboven een witte streep die achter de kruin een V vormt. De bovenkant is donkerbruin met lichte zomen en oogt geschubd. Keel wit, borst en buik warm okergeel tot roomkleurig, zonder borstband. Donkere vlek op de vleugelbocht. Snavel zwart, poten lang en grijszwart tot groenzwart. Jonge vogels missen het zwart op de kop, hebben een bleekgele wenkbrauwstreep en een lichte onderkant, maar wel de donkere vlek op de vleugelbocht. In de vlucht een smalle witte vleugelstreep en witte staartzijden.

Verwarrings­soorten

De driebandplevier Thinornis tricollaris heeft twee zwarte borstbanden, een rode oogring en een rode snavelbasis. De vale strandplevier Anarhynchus marginatus is bleker, met een witte kraag en zonder oker op de onderkant, en is gebonden aan zandstranden en rivierbanken. De Kaapse plevier Anarhynchus pallidus is kleiner, heeft een smalle kastanjebruine borstband en leeft op zoutpannen. Jonge herdersplevieren kunnen op een jonge bontbekplevier Charadrius hiaticula lijken, maar missen de borstband.

Leefgebied

Droge slikranden, kortgegraasde en betreden oevers van dammen, pannen en vloedvlakten, zoutmoeras en de randen van kustlagunes; ook landingsbanen en kaal land dicht bij water. Foerageert op insecten, schaaldiertjes en larven, vaak op droge grond boven de waterlijn. Het nest is een kuiltje op kale grond, vaak in de buurt van mest of kleine stenen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over vrijwel het hele gebied: Zuid-Afrika, Lesotho, Eswatini, Namibië, Botswana, Zimbabwe, Mozambique, Zambia, Malawi en Angola; het talrijkst op het hoogveld, rond de pannen van Botswana en langs de kust, en schaars in de droogste delen van de Namib en het hooggebergte. Verder over grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara, in de Nijlvallei en op Madagaskar.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek niet langs de waterlijn maar erachter, op het droge slik en het kortgegraasde gras. Een vogel die zich plat tegen de grond drukt en pas op het laatste moment wegrent is vaak een herdersplevier. Rond pannen en dammen van het hoogveld en in het estuarium van St. Lucia zijn ze jaarrond te vinden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en algemeen. Profiteert plaatselijk van boerendammen en overbeweide oevers. Nesten gaan verloren door plotselinge waterstijging en vertrapping door vee.

Wetenschappelijke naam

Anarhynchus pecuarius | (Temminck, 1823)

Temminck beschreef de soort in 1823 als Charadrius pecuarius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anarhynchus werd in 1832 ingevoerd door Quoy & Gaimard. Anarhynchus is Grieks, van ana- 'naar achteren, omgekeerd' en rhunkhos 'snavel', naar de zijwaarts gebogen snavel van de krombekplevier, de soort waarnaar het geslacht genoemd is. pecuarius is Latijn voor 'van het vee, veehoeder', van pecus, 'vee' — vermoedelijk naar het voorkomen op kortgegraasde, door vee betreden vlakten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.