Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Kaapse plevier

Kaapse plevier | Anarhynchus pallidus

Chestnut-Banded Plover | Chorlitejo Pálido

De Kaapse plevier is de kleinste plevier van het gebied, een bleke, rondkoppige vogel van zoutpannen, zoutwinningen en brakke lagunes. Een smalle kastanjebruine borstband op een verder zandkleurig en wit verenkleed maakt hem onmiskenbaar. Een groot deel van de wereldpopulatie leeft in Namibië en Botswana.

Kaapse plevier (Anarhynchus pallidus)
Foto: Anand Karthik Sarma — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, kort prrp of tjuk en een fijn, dun tuu-it; over het algemeen een stille soort.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

14–15 cm. De bovenkant is bleek zandgrijs, de onderkant wit. Een smalle kastanjebruine band loopt over de borst en langs de halszijden omhoog. Het mannetje heeft een wit voorhoofd met daarboven een zwarte streep over de voorkruin en een zwarte teugel; de achterkruin is roestbruin getint. Bij het vrouwtje zijn de kopstrepen grijs of roestig in plaats van zwart en is de borstband smaller. De snavel is kort en zwart, de poten zijn grijs. Jonge vogels hebben alleen grijze vlekken aan de borstzijden. In de vlucht een smalle witte vleugelstreep.

Verwarrings­soorten

De vale strandplevier Anarhynchus marginatus is groter, met een witte kraag, slechts zwakke borstvlekken en een voorkeur voor zandstranden. De herdersplevier Anarhynchus pecuarius is hoogpotiger en heeft een okergele onderkant zonder borstband. De strandplevier Anarhynchus alexandrinus is groter en heeft donkere, geen kastanjebruine, vlekken aan de borstzijden. Jonge vogels kunnen op jonge vale strandplevieren lijken, maar zijn kleiner en compacter.

Leefgebied

Zoutpannen, zoutwinningen, brakke en zoute lagunes en de kale randen van alkalische meren. Foerageert op nat zout of op de rand van ondiep, zeer zout water, op pekelkreeftjes, vliegenlarven en andere kleine ongewervelden. Broedt op kale, opgedroogde oppervlakken met een verspreid nest in een ondiep kuiltje.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Het talrijkst in Namibië, vooral aan de kust bij Walvisbaai, Sandwich Harbour en Lüderitz en op de Etoshapan, en in Botswana op de Makgadikgadi-pannen. In Zuid-Afrika verspreid op pannen in Noord-Kaap, Vrijstaat, Noordwest en Gauteng en aan de kust van de Westkaap (Velddrif, Berg-estuarium); schaars in het zuiden van Angola en zeldzaam in het zuiden van Mozambique en Zimbabwe. Buiten het gebied een aparte populatie op de sodameren van de Riftvallei in Kenia en Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De zoutwinning bij Walvisbaai is de beste plek: tussen de zoutbekkens foerageren er vrijwel altijd tientallen tot honderden. In Zuid-Afrika zijn de zoutpannen bij Velddrif een betrouwbaar adres. Let op de zoute, witte vlakten waar andere steltlopers ontbreken; de vogels lopen snel en blijven laag bij de grond.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Het grootste deel van de wereldpopulatie concentreert zich op een handvol locaties, zodat veranderingen in het beheer van zoutwinningen, waterafvoer en verstoring grote gevolgen kunnen hebben. Zoutwinningen fungeren als belangrijk vervangend leefgebied.

Wetenschappelijke naam

Anarhynchus pallidus | (Strickland, 1853)

Strickland beschreef de soort in 1853 als Charadrius pallidus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anarhynchus werd in 1832 ingevoerd door Quoy & Gaimard. Anarhynchus is Grieks, van ana- 'naar achteren, omgekeerd' en rhunkhos 'snavel', naar de zijwaarts gebogen snavel van de krombekplevier, de soort waarnaar het geslacht genoemd is. pallidus is Latijn voor 'bleek' — naar de zeer lichte, zandkleurige bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Damaraland, Namibië.