Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Kaapse dwerguil

Kaapse dwerguil | Glaucidium capense

African Barred Owlet | Mochuelo del Cabo

De Kaapse dwerguil is een gedrongen, ronde uil zonder oorpluimen met een fijn gebandeerde kop en rug. Hij is schuwer en meer aan bos gebonden dan de geparelde dwerguil, en wordt vooral opgemerkt door zijn purrende roep in de schemering.

Kaapse dwerguil (Glaucidium capense)
Foto: lin padgham — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, purrend kerrr-kerrr-kerrr in een langzame reeks, en een reeks van twee- of drielettergrepige fluittonen, prrrup-prrrup, die in volume toeneemt. Roept vooral in de schemering en het eerste deel van de nacht, soms ook overdag.

Luister: ZangXC1079966

Opname: JJSUN — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

20–22 cm. Kop, nek en rug warm bruin met fijne lichte dwarsbandjes; op de schouder een opvallende witte lijn. De vleugels hebben lichte vlekken op de dekveren, de staart is smal lichtgebandeerd. De borst is bruin gebandeerd, de buik wit met rijen donkere pijl- of druppelvormige vlekken. Het gezicht is rond met witte wenkbrauwen en gele ogen; nepogen op het achterhoofd zijn zwak of ontbreken. De seksen zijn gelijk. De vogels uit het Okavango- en Zambezigebied zijn grijzer en minder rossig dan die uit het oosten van Zuid-Afrika.

Verwarrings­soorten

De geparelde dwerguil Glaucidium perlatum is kleiner en slanker, heeft witte stippen in plaats van bandering op kop en rug, een gestreepte buik en duidelijke zwarte nepogen op het achterhoofd. De Afrikaanse dwergooruil Otus senegalensis is kleiner, grijs en heeft oorpluimen.

Leefgebied

Oeverbos en de randen van kust- en laaglandbos, rijk miombo en vochtig gemengd bosveld met hoge bomen en dichte ondergroei. Zit overdag verscholen in dicht gebladerte. Jaagt op grote insecten, kleine vogels, knaagdieren en hagedissen. Broedt in natuurlijke boomholten en oude spechtenholen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Het oosten en noorden van het gebied: kust- en laaglandbos van de Oost-Kaap en KwaZulu-Natal, het laagveld van Mpumalanga, Mozambique, oostelijk en noordelijk Zimbabwe met de Zambezivallei, de Okavangodelta en het Chobegebied in Botswana, de Zambeziregio van Namibië, Zambia, Malawi en het oosten van Angola. Buiten het gebied tot Tanzania, de kust van Kenia en het zuiden van Congo-Kinshasa.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga bij het vallen van de avond naar een oeverbos, bijvoorbeeld in de Okavango, langs de Zambezi of in de kustbossen van KwaZulu-Natal, en luister naar het purrende kerrr-kerrr. De vogel reageert goed op een kort nagebootst geluid en komt dan naar een open tak. Zangvogels die fel alarmeren in dicht bos kunnen ook een roestende dwerguil aanwijzen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar in het zuiden plaatselijk schaars en gevoelig voor het kappen van kust- en oeverbos. De geïsoleerde populatie in de Oost-Kaap en KwaZulu-Natal is klein en afhankelijk van de resterende bosfragmenten.

Wetenschappelijke naam

Glaucidium capense | (Smith, 1834)

Smith beschreef de soort in 1834 als Noctua Capensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Glaucidium werd in 1826 ingevoerd door Boie. Glaucidium is het Griekse glaukidion 'uiltje', een verkleinwoord van glaux 'uil'. capense betekent 'van de Kaap', naar de Kaapkolonie in Zuid-Afrika, waar de soort werd beschreven. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika.