Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Kaapse kanarie

Kaapse kanarie | Crithagra totta

Cape Siskin | Serín del Cabo

De Kaapse kanarie is een kleine, bruingele kanarie die alleen in de bergfynbos van de zuidwestelijke en zuidelijke Kaap voorkomt. Beide seksen hebben witte puntjes aan de toppen van de slagpennen en de staartpennen, een kenmerk dat binnen het gebied uniek is.

Kaapse kanarie (Crithagra totta)
Foto: Brian du Preez — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een zacht, tweedelig voip-vieër, vaak in de vlucht. De zang is een zwak maar aangenaam gekwetter van tjilpjes, trillers en fluittonen, gezongen vanaf een struik of rotsblok, vergelijkbaar met dat van de Mozambiquesijs.

Luister: ZangXC1152814

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

12 tot 13 cm, gedrongen, met een korte, ingekerfde staart en een kleine, spitse kegelsnavel. Het mannetje heeft een olijfgele tot geelgrijze kop en nek met fijne donkere streepjes, een effen warmbruine mantel en stuit en gele onderdelen die naar de buik grijzer worden. Vleugels en staart zijn zwartbruin; de slagpennen en staartpennen hebben kleine witte toppen, die bij zittende vogels als een rij witte vlekjes langs de vleugelrand en in de vlucht als een witte achterrand zichtbaar zijn. Het vrouwtje is doffer en bruiner, zonder grijs op de kop en met meer streping op gezicht en borst. Jonge vogels zijn gestreept bruin, maar hebben al de witte vleugel- en staarttoppen.

Verwarrings­soorten

De Basutokanarie (Crithagra symonsi) van de Drakensberg en Lesotho mist de witte vlekjes op de slagpennen en heeft in plaats daarvan witte staartzijden; de verspreidingsgebieden overlappen niet. Het vrouwtje van de grijsnekkanarie (Serinus canicollis) heeft een gestreepte, groenige mantel en geen wit in vleugel of staart. De witbandkanarie (Crithagra leucoptera) is groter en grijsbruin, met twee witte vleugelstrepen en een zware snavel. De boskanarie (Crithagra scotops) is sterk gestreept op de gele onderdelen en heeft een donker gezicht.

Leefgebied

Bergfynbos, vooral op rotsige hellingen, in beschutte kloven met water en op kustkliffen, verder randen van afromontaan bos en dennenplantages, en tuinen aan de rand van Kaapstad. Eet zaden van fynbosplanten en grassen, knoppen en kleine insecten, meestal in paren of kleine groepjes laag in de vegetatie of op de grond. Anders dan de meeste kanaries nestelt hij in spleten en holten in rotsen, op richels of tussen varens.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor het zuiden van Zuid-Afrika: van de Cederberg en het Kaapse Schiereiland zuid- en oostwaarts door de bergen van de West-Kaap en langs de zuidelijke bergketens (Langeberg, Outeniqua- en Tsitsikammagebergte) tot in het westen van de Oost-Kaap. Daarbuiten niet.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Goed te zien in Kirstenbosch en op de Tafelberg, rond Sir Lowry's Pass en langs de kust bij Rooi-Els; kijk bij bloeiende protea's en bij stroompjes. Let bij elke bruine kanarie in de fynbos op de witte vlekjes langs de vleugelrand en de witte staartpunten bij opvliegende vogels. Het is een van de fynbos-endemen, samen met de Kaapse suikervogel (Promerops cafer) en de oranjeborsthoningzuiger (Anthobaphes violacea).

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Vrij algemeen binnen het kleine areaal. Te frequente of te hete branden, de uitbreiding van invasieve houtige exoten en klimaatverandering in de fynbos kunnen de soort op termijn bedreigen.

Wetenschappelijke naam

Crithagra totta | (Sparrman, 1786)

Sparrman beschreef de soort in 1786 als Loxia totta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Crithagra werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Crithagra komt van het Griekse krithē, 'gerst', en agra, 'jacht' — een 'gerstjager', naar het zaadetende dieet van deze kanaries en zaadeters. totta is afgeleid van een verouderde Europese benaming voor de Khoekhoe, in wier land aan de Kaap de soort werd verzameld; die term wordt tegenwoordig als kwetsend beschouwd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaapprovincie, Zuid-Afrika.