Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Kaapse kwikstaart

Kaapse kwikstaart | Motacilla capensis

Cape Wagtail | Lavandera del Cabo

De Kaapse kwikstaart is de gewone grijsbruine kwikstaart van zuidelijk Afrika, even thuis aan rivieroevers en lagunes als op gazons, parkeerplaatsen en schoolpleinen. Met zijn voortdurend wippende staart en onverstoorbare gedrag is hij voor veel mensen de eerste vogel die ze bij naam kennen.

Kaapse kwikstaart (Motacilla capensis)
Foto: Christoph Strässler — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een helder, doordringend tsjisiek of tsie-tsie-tie, vaak in de vlucht. De zang is een vrolijke reeks heldere trillers en fluitjes, tsjie-tsjie-tsjie-tsjuwie, vanaf een dak, paal of steen.

Luister: RoepXC1173544

Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

18 tot 20 cm, slank en langstaartig. De bovendelen zijn egaal olijfgrijsbruin, de vleugels alleen met smalle lichte randen; een korte witte wenkbrauwstreep. De onderdelen zijn vuilwit met een smalle donkere borstband en grijsachtige, soms geelbruin getinte flanken. De buitenste staartpennen zijn wit. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn bruiner, met een bleek geelachtige onderzijde en een vage borstband. Bij de noordelijke ondersoort simplicissima (Angola, het noorden van Botswana, Zambia) is de borstband zeer smal of onderbroken.

Verwarrings­soorten

De bergkwikstaart (Motacilla clara) is lichter blauwgrijs van boven, heeft een veel langere staart, een zuiverwitte onderzijde met een zeer dunne borstband en een wit vleugelpaneel, en leeft alleen langs snelstromende bosbeken. De grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea) heeft een gele stuit en onderstaart en geen borstband. Jonge Afrikaanse bonte kwikstaarten (Motacilla aguimp) zijn grijsbruin, maar hebben een grote witte vleugelvlek. De gele kwikstaart (Motacilla flava) in dof kleed heeft een groenere rug, geen borstband en zwarte poten.

Leefgebied

Oevers van rivieren, dammen, vleien en waterzuiveringen, lagunes en rotskusten, maar ook gazons, sportvelden, tuinen en boerenerven, tot hoog in de Drakensberg. Vangt insecten lopend en met korte sprintjes, soms in de lucht. Nestelt in een holte in een oeverwal, tussen klimplanten, in een dakgoot of tussen aangespoeld hout langs het water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Algemeen in heel Zuid-Afrika, Lesotho en Eswatini en in een groot deel van Namibië, Botswana (vooral het zuiden en oosten en de Okavango), Zimbabwe en het zuiden en midden van Mozambique. Noordelijker plaatselijker: in Zambia, Malawi en Angola vooral op hoogvlakten en langs rivieren. Daarbuiten in het zuiden van de DR Congo en met een geïsoleerde ondersoort in Oost-Afrika (Kenia, Oeganda en Tanzania).

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De referentiesoort voor alle andere kwikstaarten: wie hem goed kent, ziet een afwijkende vogel meteen. Jonge Kaapse kwikstaarten met een gelige zweem worden in de zomer vaak voor gele kwikstaarten aangezien; kijk naar de bruine rug, de aanzet van een borstband en de roep. Paren zijn jaarrond territoriaal en laten zich in tuinen en op campings van dichtbij bekijken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Een van de algemeenste vogels van het gebied, die profiteert van tuinen, dammen en waterzuiveringen. Plaatselijk gevoelig voor verdroging van oevers en voor bestrijdingsmiddelen, maar zonder aanwijzingen voor achteruitgang.

Wetenschappelijke naam

Motacilla capensis | Linnaeus, 1766

Linnaeus beschreef de soort in 1766 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Motacilla werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Motacilla was bij de Romeinen de naam van de kwikstaart; het is eigenlijk een verkleinvorm van motare 'heen en weer bewegen', maar sinds de middeleeuwen werd -cilla ten onrechte als 'staart' opgevat. capensis betekent 'van de Kaap', naar de Kaap de Goede Hoop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.