Alle soorten › Papegaaiachtigen › Papegaaien › Kaapse papegaai

Kaapse papegaai | Poicephalus robustus

Cape Parrot | Lorito del Cabo

De Kaapse papegaai is een stevige, kortstaartige papegaai met een onevenredig grote snavel, gebonden aan de Afromontane nevelwouden met geelhout. Het is de enige papegaai die endemisch is voor Zuid-Afrika, en de wereldpopulatie telt naar schatting tussen de duizend en tweeduizend vogels.

Kaapse papegaai (Poicephalus robustus)
Foto: MFC — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Luide, rauwe en nasale roepen: een schel tsjek-tsjek en een krijsend krzzik, en in vlucht een doordringend twiet-twiet. Groepen zijn het luidruchtigst bij het uitvliegen van de slaapplaats in de vroege ochtend; de roepen dragen over de hele vallei.

Luister: ZangXC779363

Opname: Rick Nuttall — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Fors gebouwd, 30 tot 35 cm lang, met een dikke, lichte hoornkleurige snavel die in verhouding tot het lichaam groter is dan bij enige andere Afrikaanse papegaai. Het lichaam is olijfgroen, de kop goudbruin tot olijfbruin en duidelijk lichter dan de rest. Beide geslachten hebben oranjerode dijen en een oranjerode vlek op de vleugelbocht. Het vrouwtje heeft daarbij een oranjerode band over het voorhoofd, die het mannetje meestal mist. Jonge vogels lijken op het vrouwtje. De vlucht is snel en recht, met ondiepe, snelle slagen en luide roepen.

Verwarrings­soorten

De bruinnekpapegaai (Poicephalus fuscicollis suahelicus) van Limpopo, Zimbabwe, Mozambique, Zambia en Malawi is groter, met een zilvergrijze kop en nek en een nog zwaardere snavel; hij leeft in laaggelegen mopane- en miombobos en overlapt niet met het nevelwoud van de Kaapse papegaai. De Meyers papegaai is veel kleiner en bruin met gele schouders en een blauwgroene stuit. De Rüppells papegaai van Namibië is bruin met een blauwe buik.

Leefgebied

Afromontaan nevelwoud met geelhoutbomen (Podocarpus en Afrocarpus), waarvan hij de pitten uit de vruchten hakt. Bij een slechte geelhoutoogst wijkt hij uit naar pecannoot- en amandelboomgaarden, naar uitheemse bomen in dorpen en naar wilde vijgen langs bosranden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch, met een sterk versnipperd verspreidingsgebied in Zuid-Afrika: de bossen van de Oost-Kaap rond de Amathole-bergen en de voormalige Transkei, de nevelwoudgordel van KwaZulu-Natal, en een kleine geïsoleerde populatie in Limpopo rond Magoebaskloof en het Woodbush-woud. De soort ontbreekt in de rest van zuidelijk Afrika en komt nergens anders ter wereld voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga in de vroege ochtend op een uitzichtpunt boven een bosfragment staan en luister naar de roepen van overvliegende groepjes, die tussen slaapbos en voedselbomen pendelen; hetzelfde gebeurt in het laatste uur voor zonsondergang. Hogsback en Magoebaskloof zijn de meest toegankelijke plekken. In mei wordt jaarlijks een landelijke telling gehouden, wanneer de kans op waarnemingen het best gedocumenteerd is.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar op de wereldlijst en in Zuid-Afrika nationaal als bedreigd beoordeeld. De kap van grote geelhoutbomen in de negentiende en twintigste eeuw nam zowel voedsel als nestholten weg, en het resterende bos ligt in kleine, ver uiteen gelegen fragmenten. Verder spelen de papegaaienziekte PBFD, het wegvangen voor de vogelhandel en verlies van oude holtebomen. Er lopen nestkastprogramma's, bosherstel en een jaarlijkse telling.

Wetenschappelijke naam

Poicephalus robustus | (Gmelin, 1788)

Gmelin beschreef de soort in 1788 als Psittacus robustus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Poicephalus werd in 1837 ingevoerd door Swainson. Poicephalus komt van het Griekse poikilos, 'bont, gevlekt', en kephale, 'kop' — naar de sterk contrasterende koptekening van deze papegaaien. robustus is Latijn voor 'krachtig, stevig gebouwd', naar het relatief zware postuur van deze papegaai binnen zijn geslacht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika.