Alle soorten › Zangvogels › Suikervogels › Kaapse suikervogel

Kaapse suikervogel | Promerops cafer

Cape Sugarbird | Azucarero del Cabo

De Kaapse suikervogel is de bruine, gestreepte nectarvogel met een extreem lange, slingerende staart die vrijwel zijn hele leven op protea's doorbrengt. Mannetjes zingen vanaf de bloemhoofden en klappen hoorbaar met de vleugels in hun baltsvlucht. De soort is endemisch voor de fynbos.

Kaapse suikervogel (Promerops cafer)
Foto: MartinEtsebeth — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een droog, schrapend en ratelend mengsel van harde noten, skrie-skrie-tsjek-tsjek, dat klinkt als een schaar die open en dicht gaat, meestal vanaf een proteabloem. Daarbij in de baltsvlucht een hoorbaar geklapper van de vleugels, frrrt, waarbij het mannetje zijn staart boven zich laat wapperen.

Luister: ZangXC1152441

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

De totale lengte loopt sterk uiteen doordat de staart bij het mannetje 25 tot 34 cm kan meten: mannetjes zijn 34 tot 44 cm lang, vrouwtjes 25 tot 29 cm. Bovendelen bruin met donkere streping, de keel wit en begrensd door een bruine baardstreep, de borst bruin gebandeerd en de onderstaartdekveren helder geel. De snavel is lang, dun en gebogen. Het vrouwtje heeft een kortere staart en snavel en is bleker op de borst. De vlucht is los en huppelend, met de staart als een lint achter zich aan.

Verwarrings­soorten

De Gurneys suikervogel (Promerops gurneyi) van de Drakensbergen en het oostelijke escarpment heeft een roestbruine kruin en een roestbruine borst en een duidelijk kortere staart; de twee soorten overlappen nauwelijks. Vrouwtjes van de emeraldhoningzuiger zijn kleiner, missen de lange bruine staartslierten en het gele onderstaartdek, en zijn effen olijfgrijs zonder streping.

Leefgebied

Fynbos met bloeiende protea's, vooral suikerbos (Protea repens) en baardsuikerbos (Protea neriifolia), op berghellingen en kustvlakten, en daarnaast tuinen en parken waar protea's zijn aangeplant. Leeft van nectar en van insecten die hij uit de bloemhoofden pikt, en is een belangrijke bestuiver van protea's.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor het fynbosbioom in het zuidwesten en zuiden van Zuid-Afrika, van ongeveer Nieuwoudtville en de Cederberg zuidwaarts tot het Kaapse Schiereiland en oostwaarts langs de kustbergen tot in de omgeving van Makhanda in de Oost-Kaap. De soort komt buiten dit gebied niet voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste periode is van mei tot augustus, wanneer de meeste protea's bloeien en de mannetjes met opgerichte staart op de bloemhoofden zitten te zingen. Luister naar het schurende geratel en let daarna op de vleugelklappende baltsvlucht boven de struiken. Kirstenbosch, de hellingen van de Tafelberg en Sir Lowry's Pass liggen midden in het areaal. Bij harde zuidoostenwind zitten de vogels laag in de struiken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, met stabiele aantallen over een beperkt maar goed bezet areaal. Het knelpunt is de proteavegetatie zelf: branden die elkaar te snel opvolgen geven de struiken geen tijd om volwassen te worden en te bloeien, en uitheemse dennen en hakea's verdringen de protea's. Ook omzetting van fynbos naar wijnbouw en akkers verkleint het leefgebied.

Wetenschappelijke naam

Promerops cafer | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Merops cafer; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Promerops werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Promerops komt van het Griekse pro, 'voor, gelijkend op', en merops, 'bijeneter' — naar een oppervlakkige gelijkenis met bijeneters in snavelvorm, al zijn suikervogels niet met hen verwant. cafer is een verouderde, achttiende-eeuwse geografische aanduiding voor het gebied van de Xhosa-sprekende volkeren in het oosten van de Kaapkolonie, waar het eerste exemplaar vandaan kwam; de term is in de wetenschappelijke naamgeving van die tijd gangbaar maar wordt tegenwoordig als kwetsend beschouwd en buiten deze naam niet meer gebruikt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.