Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Kaapse zwartkop
Kaapse zwartkop | Sylvia nigricapillus
Bush Blackcap | Curruca Sudafricana
De Kaapse zwartkop is een grote, grijze bosvogel met een zwarte kap en een roze snavel, die alleen in de bergbossen van het oosten van Zuid-Afrika en in Eswatini voorkomt. Hij werd lang tot de buulbuuls of de timalia's gerekend, maar is een verwant van de Europese grasmussen.
Geluid
De zang is een rijke, melodieuze en afwisselende reeks fluittonen en kwetterende frasen, wat aan een buulbuul of een lijster doet denken, vaak met imitaties, tsjoe-tsjiweloe-tsjiewie. Zingt vooral in het voorjaar en de zomer, van september tot januari, vaak vanuit dekking. Roept verder een ratelend tsjrrr en een zacht tsjik.
Opname: Raphaël Nussbaumer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
16–18 cm. De kruin en de kop tot onder het oog zijn zwart en vormen een scherp begrensde kap. Keel en wangen zijn lichtgrijs tot grijswit, de bovenzijde is effen leigrijs, de onderzijde lichtgrijs met een witte buik. De snavel is opvallend roze tot koraalrood, de poten zijn roze en het oog is donker. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben een bruinzwarte kap en een doffere, bruinige snavel. Beweegt rustig en vrij log door de middelste etage en het bladerdak en blijft vaak lang op één vruchtboom.
Verwarringssoorten
De grauwe buulbuul Pycnonotus barbatus heeft een bruinzwarte kop met een kuifje, een zwarte snavel, bruine bovendelen en gele onderstaartdekveren. De zwartkop Sylvia atricapilla, een zeldzame dwaalgast in het gebied, is veel kleiner, met een grijze snavel en een kap die niet tot onder het oog reikt. De Kaapse meeszanger Curruca subcoerulea is kleiner en slanker, met een licht oog, gestreepte keel en een roestrode anaalstreek, en leeft in droog struikgewas.
Leefgebied
Randen en open plekken van montaan groenblijvend bos, beboste kloven, oeverbos in bergdalen en struweel met braam bij bos, meestal tussen 900 en 2000 m. In de winter dalen sommige vogels af naar lager gelegen bos en struikgewas. Eet vooral vruchten en bessen, daarnaast insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Alleen in Zuid-Afrika en Eswatini. In de Oost-Kaap in de Amatola-bergen (Hogsback) en de beboste hellingen van de voormalige Transkei; in KwaZulu-Natal in de bossen van de Midlands en de uitlopers van de Drakensberg, zoals Karkloof; in Mpumalanga langs de oostelijke escarpment; in Limpopo in de bossen van Magoebaskloof, Woodbush en de Wolkberg en in de Soutpansberg; in Eswatini in de noordwestelijke hooglanden. Buiten het gebied komt de soort niet voor.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond, het best in het voorjaar (oktober–december) wanneer de vogel zingt. Magoebaskloof en Woodbush, Hogsback en Karkloof zijn betrouwbare plekken. Wacht bij een vruchtdragende boom aan de bosrand: de vogel kan lang stil en half verborgen zitten eten, en is dan eerder aan de roze snavel dan aan de zwarte kap te herkennen.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar op de Rode Lijst. De populatie is klein en versnipperd over geïsoleerde bergbossen en gaat achteruit door kap, branden, overbegrazing van de bosranden en de uitbreiding van plantagebosbouw. In goed beschermde bossen, zoals in Magoebaskloof en de Amatola's, is de soort plaatselijk nog vrij algemeen.
Wetenschappelijke naam
Sylvia nigricapillus | (Vieillot, 1818)
Vieillot beschreef de soort in 1818 als Turdus nigricapillus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sylvia werd in 1769 ingevoerd door Scopoli. Sylvia is nieuwlatijn silvia, een bosnimf, bij silva 'bos'; de naam ging over op kleine zangvogels van struweel en kreupelhout. nigricapillus is Latijn voor 'zwartgekapt', van niger, 'zwart', en capillus, 'hoofdhaar' — naar de zwarte kop van de Kaapse zwartkop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bruintjieshoogte bij Somerset East, Oost-Kaap, Zuid-Afrika.
