Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Kalahariwaaierstaart

Kalahariwaaierstaart | Cercotrichas paena

Kalahari Scrub Robin | Alzacola del Kalahari

De Kalahariwaaierstaart is de lichte, zandkleurige waaierstaart van het droge doornveld. Hij rent met hoog opgeheven, gewaaierde staart over kale grond tussen de struiken en valt vooral op door de roodbruine staart met zwarte band en witte toppen.

Kalahariwaaierstaart (Cercotrichas paena)
Foto: Flickr user Alastair Rae . Photo uploaded to commons by user ltshears — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks heldere, fluitende frasen afgewisseld met kwetterende noten en nabootsingen, vaak vanaf de top van een struik en ook in de schemering. De alarmroep is een droog, ratelend tsjrrr; daarnaast een scherp tsjik.

Luister: ZangXC1059316

Opname: Yoann Blanchon — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Een slanke, langpotige waaierstaart van 17 cm. De bovendelen zijn effen zand- tot grijsbruin, stuit en staartbasis warm roodbruin. De staart heeft een brede zwarte band vóór de witte toppen, die vooral opvallen als hij de staart waaiert. Een witte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep tekenen de kop; de onderzijde is wit met een zeemkleurige borst en flanken, zonder streping. De vleugel heeft alleen smalle lichte zomen en geen witte vleugelstrepen. De seksen zijn gelijk. Houdt de staart steeds opgewipt, vaak tot boven de rug, en laat de vleugels hangen.

Verwarrings­soorten

De witbrauwwaaierstaart (Cercotrichas leucophrys) is donkerder, heeft twee witte vleugelstrepen en in het zuiden een duidelijk gestreepte borst; hij leeft in dichter struweel en blijft meer in dekking. De Karoowaaierstaart (Tychaedon coryphoeus) is donker grijsbruin met een witte keel tussen donkere baardstrepen en een donkere staart zonder roodbruin; beide raken elkaar alleen in de Noord-Kaap. De roodstaartspekvreter (Oenanthe familiaris) heeft ook een roestbruine staart, maar mist de wenkbrauwstreep, heeft donkere middelste staartpennen en schokt met de vleugels in plaats van de staart te waaieren.

Leefgebied

Droog doornveld en open savanne op zand, Kalahari-duinvelden met verspreide Acacia-struiken, overgangen naar de Nama-Karoo en kale, begraasde terreinen rond veeposten. Zoekt op de grond naar insecten en andere ongewervelden, meestal in de schaduw van struiken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor zuidelijk Afrika. Wijd verbreid in Namibië (behalve de Namib-kustwoestijn), in het midden en zuiden van Botswana, in Zuid-Afrika in de Noord-Kaap, North West, het westen van de Vrijstaat en het westen van Limpopo, verder in het zuidwesten van Zimbabwe en het zuidwesten van Angola. De soort komt buiten deze regio niet voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek vroeg in de ochtend langs zandwegen in de Kgalagadi of de Centrale Kalahari naar een lichte vogel die over de grond rent, stilhoudt en de staart waaiert. De combinatie van ongestreepte borst, geen vleugelstrepen en de zwarte staartband sluit de witbrauwwaaierstaart uit. In de broedtijd, vooral van september tot februari, zingt hij opvallend vanaf struikkruinen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is wijd verbreid en algemeen in geschikt habitat, en de aantallen lijken stabiel. Matige begrazing en verstruiking van het doornveld zijn voor deze grondfoerageerder eerder gunstig dan schadelijk.

Wetenschappelijke naam

Cercotrichas paena | (Smith, 1836)

Smith beschreef de soort in 1836 als Erythropygia paena; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cercotrichas werd in 1831 ingevoerd door Boie. Cercotrichas is Grieks, van kerkos 'staart' en trikhas 'lijster'. paena komt van Phêna of Phênê, de Tswana-naam voor deze soort; Andrew Smith (1836) nam de inheemse namen bewust over als soortaanduiding. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit ten noorden van Kuruman, Noord-Kaap, Zuid-Afrika.