Alle soorten › Zangvogels › Klauwieren › Kleine klapekster
Kleine klapekster | Lanius minor
Lesser Grey Shrike | Alcaudón Chico
De kleine klapekster is een grijs-zwart-witte klauwier uit Zuidoost-Europa en Centraal-Azië die de noordelijke winter vrijwel geheel in de Kalahari doorbrengt. Na een lange trek via Oost-Afrika verschijnt hij in november in het droge westen van het gebied, waar hij op draden en boomtoppen langs de wegen een vertrouwde verschijning is.
Geluid
In Afrika grotendeels stil. Soms een korte, harde tsjek of een schurende sjrrek. Voor het vertrek in maart en april is een zacht, gevarieerd gekwetter te horen, met imitaties van andere vogels.
Opname: András Schmidt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
20–22 cm. Kruin, nek en rug zijn zachtgrijs, de vleugels zwart met een opvallende witte vlek aan de basis van de handpennen. Een brede zwarte maskerband loopt bij adulten ook over het voorhoofd, zodat het masker één geheel vormt. De onderzijde is wit met een roze tot zalmkleurige waas op borst en flanken. De staart is zwart met witte buitenpennen. De snavel is kort en zwaar. De vleugels zijn lang, met een grote handpenprojectie. Eerstejaars hebben een grijs voorhoofd, een smaller en bruiner masker en fijne bandering op de kop; zij vormen in de winter een groot deel van de vogels.
Verwarringssoorten
De zuidelijke gekraagde klauwier Lanius collaris is zwart van boven met een witte V op de schouders en heeft een langere, smallere staart. De grauwe klauwier Lanius collurio heeft een roodbruine rug en geen witte vleugelvlek; het vrouwtje is bruin met geschubde onderzijde. De Turkestaanse klauwier Lanius phoenicuroides is zandbruin met een roestrode staart.
Leefgebied
Open, droge savanne en doornveld met verspreide bomen en struiken, vooral in de Kalahari; ook weidegebied, akkerranden en bermen met draden en paaltjes. Jaagt vanaf een hoge post, vaak een telefoondraad, op grote insecten, vooral kevers en sprinkhanen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Overwintert vooral in de Kalahari van Botswana, Namibië (behalve de Namib) en het noorden en westen van Zuid-Afrika (Noord-Kaap, Noordwest, Vrijstaat en westelijk Limpopo), en in het zuidwesten van Zimbabwe en het zuiden van Angola. Op doortrek, vooral in november en maart–april, in Zambia, Malawi, Zimbabwe en Mozambique; in het oosten van Zuid-Afrika schaars. Broedt van Zuid- en Oost-Europa tot Centraal-Azië.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Van december tot maart op draden langs de wegen in de Kalahari, bijvoorbeeld rond het Kgalagadi Transfrontier Park en in Centraal-Botswana. Let op een grijze klauwier met een roze borst en een zwart voorhoofd; bij eerstejaars geeft de witte handpenvlek in vlucht de doorslag.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; wereldwijd nog talrijk, maar in West- en Midden-Europa sterk afgenomen en als broedvogel uit verschillende landen verdwenen. In het overwinteringsgebied kan verbossing van de savanne het leefgebied aantasten.
Wetenschappelijke naam
Lanius minor | Gmelin, 1788
Gmelin beschreef de soort in 1788 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Lanius werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Lanius is Latijn voor 'slager', naar de gewoonte van klauwieren om prooien op doorns en prikkeldraad te spietsen. minor is Latijn voor 'kleiner', naar het formaat ten opzichte van de klapekster. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië.

