Alle soorten › Zangvogels › Klauwieren › Witkruinklauwier

Witkruinklauwier | Eurocephalus anguitimens

Southern White-Crowned Shrike | Alcaudón Coroniblanco

De witkruinklauwier is een forse, bedaarde klauwier die in kleine groepen door het mopaneveld en het droge doornveld trekt. De sneeuwwitte kruin boven een breed zwart masker is van ver te zien, en een zwevende groep met stijf gestrekte vleugels en een witte stuit is onmiskenbaar. De soort komt alleen in zuidelijk Afrika voor.

Witkruinklauwier (Eurocephalus anguitimens)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Luidruchtig in groepen: een hoog, nasaal gepiep of gefluit als kwiep-kwiep en kweer-kweer, door de groepsleden in koor herhaald, vaak met snaterende en krakende tussengeluiden. In vlucht een zacht, klaaglijk pie-oe.

Luister: ZangXC526376

Opname: Derek Solomon — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

23–25 cm. Kruin en voorhoofd zijn zuiver wit, gescheiden van de witte keel door een breed zwart masker dat van de snavelbasis door het oog tot over de oorstreek loopt. Nek, rug en vleugels zijn grijsbruin, de stuit is wit en de staart donkerbruin. De borst is wit, overgaand in een grijsbruine tot vaalbruine buik en flanken. De snavel is zwaar, zwart en licht gehaakt, het oog donker. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben een grijzige, fijn gestreepte kruin en een lichtere snavel. De vlucht is traag en zwevend, met vlakke vleugels.

Verwarrings­soorten

De helmklauwier Prionops plumatus leeft ook in groepen, maar is kleiner, zwart-wit met een witte kuif, een gele oogring en een lange witte vleugelstreep. De eksterbabbelaar Turdoides bicolor heeft een geheel witte kop en onderzijde zonder masker, en zwarte vleugels en staart. De tapuitklauwier Lanioturdus torquatus van Namibië en Zuidwest-Angola is kleiner, met een zwarte kop, een zwarte borstband en een korte witte staart.

Leefgebied

Droog, open bosveld: mopaneveld, acaciadoornveld, Kalahari-doornveld, droog gemengd bosveld en open plekken langs rivieren in droge gebieden. Zit vaak open op lage takken en laat zich op de grond vallen om insecten, spinnen en kleine hagedissen te pakken. Broedt coöperatief; het nest is een dik, met spinrag omwikkeld kommetje op een horizontale tak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Beperkt tot zuidelijk Afrika: het zuidwesten van Angola (Namibe, Huíla, Cunene), het noorden en midden van Namibië, vrijwel heel Botswana behalve het uiterste zuidwesten, het westen en zuiden van Zimbabwe en de Zambezivallei, het zuiden van Zambia, het zuiden van Mozambique (Limpopovallei) en het noordoosten van Zuid-Afrika (Limpopo, het Kruger-park en het noorden van Noordwest en Mpumalanga). In Oost-Afrika wordt hij vervangen door de verwante Eurocephalus rueppelli.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond, overdag gemakkelijk te vinden in het mopaneveld van het noorden van het Kruger-park, Mapungubwe, Hwange, Chobe en Etosha. Let op een groepje forse vogels op lage takken langs de weg; ze laten zich doorgaans rustig bekijken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is in geschikt habitat vrij algemeen en het verspreidingsgebied is groot. Plaatselijk verdwijnt bosveld door kap voor brandhout en landbouw, maar grootschalige bedreigingen zijn niet bekend.

Wetenschappelijke naam

Eurocephalus anguitimens | Smith, 1836

Smith beschreef de soort in 1836 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Eurocephalus voerde hij in datzelfde werk in. Eurocephalus komt van het Griekse eurus, 'breed', en kephalē, 'kop' — naar de grote, brede kop van deze klauwieren. anguitimens is Latijn voor 'slangen vrezend', van anguis, 'slang', en timere, 'vrezen' — naar de bewering van beschrijver Andrew Smith dat de vogel bang voor slangen was. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Tussen Kuruman (Latakoo) en de Steenbokskeerkring.