Alle soorten › Zangvogels › Zwaluwen › Vale oeverzwaluw

Vale oeverzwaluw | Riparia paludicola

Brown-Throated Martin | Avión Paludícola Africano

De vale oeverzwaluw is de standvogel onder de kleine bruine zwaluwen van het gebied. Hij broedt in kolonies in zelfgegraven gangen in zandige rivieroevers, vaak in de droge winter wanneer de waterstand laag is, en jaagt vrijwel altijd boven water.

Vale oeverzwaluw (Riparia paludicola)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, hoog getjilp en een droog svrr of tsjrr in de vlucht; bij de kolonie een aanhoudend geruzie van zachte, schurende geluidjes.

Luister: VluchtroepXC623649

Opname: Ken Behrens — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12 cm, klein en compact, met een korte, ondiep gevorkte staart zonder witte vlekken. De bovendelen zijn egaal grijsbruin. Bij de gewone vorm zijn keel en borst vaal grijsbruin, zonder scherpe grens overgaand in een witte buik en witte onderstaartdekveren; bij een donkere vorm, vooral in het oosten van Zuid-Afrika, is de hele onderzijde bruin, soms met een kleine lichte vlek op de buik. De ondervleugel is donkerbruin. De seksen zijn gelijk; jonge vogels hebben kaneelkleurige randjes. De vlucht is fladderend en zwenkend, laag boven water.

Verwarrings­soorten

De oeverzwaluw Riparia riparia heeft een witte keel en een scherpe bruine borstband. De witbrauwzwaluw Neophedina cincta is groter, met een witte keel, een brede borstband en een korte witte wenkbrauwstreep. De Kaapse rotszwaluw Ptyonoprogne fuligula is groter en forser, met een roestbruine keel, witte vlekken in de gespreide staart en een trage, zwevende vlucht langs rotsen en gebouwen. De donkere vorm kan op een kamzwaluw lijken, maar de blauw-zwarte kamzwaluw Psalidoprocne pristoptera is zwart met een diep gevorkte staart.

Leefgebied

Rivieren met steile zandoevers, dammen, meren, vleien en moerassen; soms boven akkers en weiden langs water. Graaft nestgangen van zo'n halve meter in zand- of leemwanden, ook in wegbermen, zandafgravingen en dijken. Jaagt op kleine vliegende insecten, vaak in gezelschap van andere zwaluwen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In een groot deel van het gebied: Zuid-Afrika (ook in de West-Kaap, onder meer langs de Breede en de Olifants), Lesotho, Eswatini, Zimbabwe, Mozambique, Malawi, Zambia, Angola, noordelijk en oostelijk Botswana en het noorden van Namibië; ontbreekt grotendeels in de droge Kalahari en de Namib. Buiten het gebied in grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara, in Marokko en op Madagaskar.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bekijk steile zandoevers van grotere rivieren op ronde gaatjes; vooral van mei tot september zijn kolonies actief. Boven water is de combinatie van een klein formaat, een egaal bruine keel zonder borstband en een korte staart zonder witte vlekken beslissend.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en plaatselijk algemeen. Kolonies kunnen verloren gaan door overstromingen, zandwinning en het vastleggen van oevers, maar de soort vindt vaak snel nieuwe nestwanden, ook in kunstmatige afgravingen.

Wetenschappelijke naam

Riparia paludicola | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Hirundo paludicola; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Riparia werd in 1817 ingevoerd door Forster. Riparia gaat terug op het Latijnse riparius 'van de oever', bij ripa 'oever', naar de nestholen die deze zwaluwen in steile oeverwanden graven. paludicola is Latijn voor 'moerasbewoner', van palus, paludis 'moeras' en -cola 'bewoner', bij colere 'bewonen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika.