Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Kleine koekoek

Kleine koekoek | Cuculus poliocephalus

Lesser Cuckoo | Cuco Chico

De kleine koekoek is een Aziatische broedvogel, van de Himalaya tot Japan, die de noordelijke winter voor een deel in Oost-Afrika doorbrengt. Het zuiden van zijn winterkwartier ligt in het noordoosten van het gebied, waar hij schaars is en vrijwel altijd zwijgt; elke waarneming verdient zorgvuldige documentatie.

Kleine koekoek (Cuculus poliocephalus)
Foto: rohanmenzies — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In het winterkwartier vrijwel stil. In het broedgebied een snelle, stotterende reeks van vijf of zes tonen, bij de eerste nadruk, weergegeven als tjok-tjok-tjerre-tjok, die ook in Afrika in het voorjaar soms te horen is.

Luister: ZangXC1005688

Opname: Yang Li — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

25–27 cm, een verkleinde uitgave van de koekoek met relatief kortere vleugels en een lange staart. Het mannetje heeft een grijze kop, keel en borst en donker leigrijze bovendelen, met een weinig contrasterende grijze stuit. De buik is wit tot licht roomkleurig met brede, ver uit elkaar staande zwarte dwarsbanden; de onderstaartdekveren zijn warm zeemkleurig en nauwelijks gebandeerd. De staart is zwartgrijs met witte vlekken. De snavel is donker met een gele basis, oogring en poten geel. Het vrouwtje komt in een grijze en een rossige (hepatische) vorm voor; de rossige vorm is helder roodbruin, op kop en stuit vrijwel ongebandeerd. Jonge vogels zijn donkerder grijs met witte veerrandjes.

Verwarrings­soorten

De Madagaskarkoekoek (Cuculus rochii) is vrijwel identiek en zonder geluid of in de hand nauwelijks te scheiden; hij is echter vooral van april tot oktober op het vasteland aanwezig, dus buiten de periode van de kleine koekoek. De koekoek (Cuculus canorus) is groter, met fijnere en dichtere bandering op een wittere buik en gebandeerde onderstaartdekveren. De Afrikaanse koekoek (Cuculus gularis) is groter, heeft een grotendeels gele snavel en een gebandeerde staart. Vrouwtjes in rossige vorm lijken op die van de koekoek, maar hebben een minder gebandeerde stuit.

Leefgebied

In het winterkwartier bosranden, oeverbos, dicht bosveld en miombo, ook secundair bos en boomrijke tuinen. Foerageert in de kroon en de middelste laag, vooral op rupsen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied schaars in Malawi, Zambia, noordelijk en midden-Mozambique en oostelijk Zimbabwe; dwaalgast in het noordoosten van Zuid-Afrika. Het zwaartepunt van de Afrikaanse winterpopulatie ligt in Kenia en Tanzania. Broedt van Afghanistan en de Himalaya via China tot Korea, het Russische Verre Oosten en Japan; een ander deel van de populatie overwintert in India en Sri Lanka.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Behandel elke kleine, grijze Cuculus-koekoek tussen november en april in het noordoosten van het gebied als kandidaat, en noteer datum, maten ten opzichte van omringende vogels, de bandering van buik en onderstaartdekveren en de kleur van de stuit. Foto's van boven- en onderzijde zijn onmisbaar. Een vogel in april of mei kan net zo goed een Madagaskarkoekoek zijn.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in zijn Aziatische broedgebied wijdverspreid. In Afrika slecht onderzocht; het aantal overwinteraars in het gebied is klein en onregelmatig.

Wetenschappelijke naam

Cuculus poliocephalus | Latham, 1790

Latham beschreef de soort in 1790 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cuculus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Cuculus is het Latijnse woord voor de koekoek. poliocephalus komt van het Griekse polios, 'grijs', en kephalē, 'kop' — naar de grijze kop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit India.