Alle soorten › Valkachtigen › Valken › Kleine torenvalk

Kleine torenvalk | Falco naumanni

Lesser Kestrel | Cernícalo Primilla

De kleine torenvalk is een Palearctische trekvogel die de zuidelijke zomer in grote groepen op het grasland van het binnenland doorbrengt. Zijn gezamenlijke slaapplaatsen in bomen in dorpen en stadjes kunnen duizenden vogels tellen.

Kleine torenvalk (Falco naumanni)
Hoofdfoto · Foto: מינוזיג - MinoZig — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Op de slaapplaats en in groepen een aanhoudend, raspend gekwetter, tsjè-tsjè-tsjè of kie-kie-kie, driesyllabisch en rauwer dan de roep van de torenvalk.

Luister: VluchtroepXC1138508

Opname: Pere Josa — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 30 cm, slanker en met smallere vleugels dan de andere torenvalken. Het mannetje heeft een blauwgrijze kop zonder baardstreep, een ongevlekte steenrode mantel, een blauwgrijze band over de grote vleugeldekveren en een grijze staart met zwarte eindband en vaak verlengde middelste pennen. De onderdelen zijn warm roomkleurig met kleine ronde vlekjes; de ondervleugel is wit met donkere punten. Het vrouwtje is roodbruin met donkere bandering op de bovendelen, een fijn gestreepte kop en een zwakke baardstreep. De nagels zijn wit.

Verwarrings­soorten

De torenvalk (Falco tinnunculus) is iets groter; het mannetje heeft een zwart gevlekte mantel, een duidelijke baardstreep en geen grijze vleugelband. Vrouwtjes van beide zijn nauwelijks te onderscheiden, behalve aan de witte nagels en de iets bleker ondervleugel van de kleine torenvalk. De rotsvalk (Falco rupicolus) is donkerder en roodbruin, van onder zwaar gevlekt. Vrouwtjes van de amoerroodpootvalk (Falco amurensis) jagen vaak in dezelfde groepen maar hebben een zwarte kopkap, oranje poten en een gestreepte witte borst.

Leefgebied

Open grasland van het Hoogveld, de oostelijke Karoo en droge savanne, ook akkerland en braakliggend grasland na brand of regen. Jaagt in groepen, biddend of vanaf draden en palen, op sprinkhanen, termieten en kevers; zwermt bij termietenuitvliegingen. Overnacht in groepen in hoge bomen, vaak eucalyptussen in dorpen en stadjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vooral in het binnenland van Zuid-Afrika: de Vrijstaat, Gauteng, Mpumalanga, het binnenland van KwaZoeloe-Natal, de Noord-Kaap en de oostelijke Karoo; verder in het zuiden en oosten van Botswana en plaatselijk in Namibië. Op doortrek in Zambia, Malawi, Zimbabwe en Mozambique. Broedt in Zuid-Europa, Noord-Afrika en Centraal-Azië tot in China.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bezoek bij zonsondergang een bekende slaapplaats in een stadje op het Hoogveld: tegen de schemering stromen van alle kanten groepen binnen. Overdag de wegen afrijden en elke draad met rijen kleine valken bekijken; zoek naar een mannetje met blauwgrijze vleugelband om zeker te zijn.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd; de populatie heeft zich na een sterke achteruitgang in de twintigste eeuw hersteld. In het overwinteringsgebied zijn de slaapplaatsbomen kwetsbaar voor kap, en het gebruik van bestrijdingsmiddelen tegen sprinkhanen vermindert het voedselaanbod.

Wetenschappelijke naam

Falco naumanni | Fleischer, 1818

Fleischer beschreef de soort in 1818 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Falco werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Falco is het Latijnse woord voor 'valk', mogelijk verwant aan falx, 'sikkel', naar de gebogen vorm van klauwen of vleugels. naumanni eert de Duitse natuuronderzoeker Johann Friedrich Naumann. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Duitsland.