Alle soorten › Zangvogels › Wida's › Koningswida

Koningswida | Vidua regia

Shaft-Tailed Whydah | Viuda Real

De koningswida is de wida van het droge westen van zuidelijk Afrika en vrijwel endemisch voor het gebied. Het broedende mannetje is zwart en goudbeige, met een rode snavel en vier lange staartpennen met kale schachten en een vlagje aan het eind. Hij parasiteert op de granaatastrild.

Koningswida (Vidua regia)
Hoofdfoto · Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Het mannetje zingt een levendig mengsel van eigen piepende tonen en nabootsingen van de granaatastrild, waaronder een fluitend tsjoe-wiet en dunne, dalende tsiie-tonen. De roep is een droog tsjip of tsjik.

Luister: ZangXC617031

Opname: Tony Archer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–34 cm; het lichaam meet 12–13 cm, het mannetje in broedkleed draagt daarbij vier middelste staartpennen tot ongeveer 20 cm, waarvan de schacht over het grootste deel kaal is en die eindigen in een smal, zwart vlagje. Kruin, rug, vleugels en staart zijn zwart, gezicht, nek en onderzijde warm goudbeige. Snavel en poten zijn rood. Het vrouwtje is bruin gestreept van boven en bleek beige van onderen, met een vrij vlakke, rossig bruine kop met een donkere kruinstreep en een vage oogstreep; snavel en poten zijn roze tot rood. Het mannetje buiten de broedtijd lijkt op het vrouwtje, met een scherper getekende kop. Jonge vogels zijn egaal grijsbruin.

Verwarrings­soorten

Het mannetje in broedkleed is onmiskenbaar: de dominicanerwida (Vidua macroura) is zwart-wit met gewone smalle staartpennen, en de smalstaartparadijswida (Vidua paradisaea) heeft een brede, zwarte staart en een kastanjebruine borst. Het vrouwtje van de dominicanerwida heeft een scherpere zwart-beige kopstreping; vrouwtjes van de paradijswida's hebben een donkergrijze snavel en een contrastrijke zwart-witte kop.

Leefgebied

Droog doornveld, Kalahari-doornveld, acaciasavanne met kale grond en de overgang naar Nama-Karoo, vaak bij drinkplaatsen en rond boerderijen. Eet graszaden van de grond. Legt zijn eieren vooral in de nesten van de granaatastrild (Granatina granatina), minder vaak bij de elfenastrild (Brunhilda erythronotos).

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vrijwel endemisch voor het gebied: Namibië (behalve de Namib), Botswana, de Noord-Kaap, Noordwest, Limpopo, het westen van de Vrijstaat en Gauteng, het westen en zuiden van Zimbabwe en het zuiden van Mozambique, verder het zuiden van Angola. Daarbuiten nauwelijks.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de Kgalagadi, het Pilanesbergpark of het Etoshapark bij drinkplaatsen, van december tot april. Het mannetje zingt en baltst vanaf een hoge takpunt en danst met gespreide staart boven het vrouwtje. Waar granaatastrilden bij het water komen drinken, verschijnen de wida's vaak in hun kielzog.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in het droge westen algemeen. Er zijn geen grote bedreigingen bekend.

Wetenschappelijke naam

Vidua regia | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Emberiza regia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Vidua werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Vidua is het Latijnse woord voor 'weduwe'. regia is Latijn voor 'koninklijk' — naar het fraaie zwart-gele verenkleed en de lange staartpennen van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Afrika (niet nader bepaald; later Zuid-Angola voorgesteld).