Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Kortstaartpieper

Kortstaartpieper | Anthus brachyurus

Short-Tailed Pipit | Bisbita Colicorto

De kortstaartpieper is de kleinste pieper van het gebied, een donkere, zwaar gestreepte vogel met een stompe staart die eerder aan een graszanger dan aan een pieper doet denken. Een schaarse en slecht bekende soort van kort grasland op heuvels, die zich laat opstoten en na een korte vlucht weer in het gras verdwijnt.

Kortstaartpieper (Anthus brachyurus)
Foto: Roy F Morris II — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

De zang is een zoemend, insectachtig zzrt-zrriet, gegeven in een hoge, cirkelende zangvlucht of vanaf een graspol. De roep bij het opvliegen is een kort, zacht tsip.

Luister: ZangXC745585

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Een piepkleine pieper van 11 tot 12 cm met een opvallend korte, smalle staart en een fijne snavel. De bovendelen zijn donker bruin met zware zwarte strepen en bleke randen; de onderdelen zijn buff met dichte, scherpe zwarte strepen over de hele borst en de flanken. De buitenste staartpennen zijn wit, in de korte staart soms moeilijk te zien. De wenkbrauwstreep is smal en bleek. De seksen zijn gelijk. Vliegt laag en snel op, met een zwirrende vlucht, en valt na tien tot dertig meter weer in het gras.

Verwarrings­soorten

De savannepieper (Anthus caffer) is iets groter, heeft een langere staart en minder dichte streping op de onderdelen, en vliegt bij verstoring naar een boom in savanne. Graszangers zoals de graszanger (Cisticola juncidis) en de dwerggraszanger (Cisticola ayresii) delen het leefgebied, maar hebben een ongestreepte borst, een fijnere snavel en een staart met donkere subterminale vlekken. De kaneelpieper (Anthus cinnamomeus) is veel groter en langstaartig.

Leefgebied

In de broedtijd vrij kort grasland op heuvels en glooiingen, vaak met verspreide rotsen, in hoogland en montaan grasland. Buiten de broedtijd ook seizoensgebonden overstroomde graslanden en dambo's. Foerageert op de grond op insecten, larven en zaden. Het nest is een klein, diep kommetje van gras, goed verborgen in een dichte graspol.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Zuid-Afrika en Eswatini een schaarse en lokale zomerbroedvogel van heuvelgrasland in Mpumalanga en het noorden van KwaZulu-Natal; buiten de broedtijd zijn er waarnemingen van de overstroomde graslanden bij Beira in Mozambique. Verder lokaal in Zambia en Angola. Buiten het gebied in een reeks losse populaties van Gabon en Congo-Kinshasa tot Oeganda en Tanzania.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in november–januari in kort, heuvelachtig grasland in het hoogland van Mpumalanga en Noord-KwaZulu-Natal. Luister naar de zoemende zangvlucht en loop dan langzaam door het gras: de vogel komt laag en snel omhoog en valt al snel weer in. Let bij elke kleine, zwaar gestreepte 'graszanger' die zich opstoot op de witte staartranden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In Zuid-Afrika geldt de soort regionaal als kwetsbaar door verlies van grasland aan overbegrazing, steenkoolmijnbouw, bosaanplant en landbouw. In de rest van het areaal is de soort weinig bekend.

Wetenschappelijke naam

Anthus brachyurus | Sundevall, 1850

Sundevall beschreef de soort in 1850 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is het Latijnse woord voor een klein vogeltje van graslanden dat Plinius de Oudere noemt. brachyurus komt van het Griekse brakhus, 'kort', en oura, 'staart' — naar de opvallend korte staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Durban, Zuid-Afrika.