Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Langteenrotslijster

Langteenrotslijster | Monticola explorator

Sentinel Rock Thrush | Roquero Centinela

De langteenrotslijster is de rotslijster van de grasrijke berghellingen van Zuid-Afrika, Lesotho en Eswatini. Hij zit graag als een schildwacht op een rotsblok boven open grasland. 's Winters trekken veel vogels van de hoogste delen naar lagere hellingen en zelfs naar de kustvlakte.

Langteenrotslijster (Monticola explorator)
Hoofdfoto · Foto: Brian Gratwicke from DC, USA — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

De zang is een reeks korte, heldere fluittonen en zachtere krassende noten, minder luid en minder melodieus dan die van de Kaapse rotslijster, vaak met nabootsingen. De roep is een zacht, fluitend tsjie-tsjie en een krassend tsjak als alarm.

Luister: ZangXC603801

Opname: Lynette Rudman — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Een rotslijster van 18 cm met lange poten en tenen. Het mannetje is blauwgrijs op kop, keel, bovenborst, mantel en vleugeldekveren, zodat het blauwgrijs als een cape over rug en schouders valt; de rest van de onderzijde en de stuit zijn oranje, de staart oranje met bruine middenpennen. Het vrouwtje is bruin boven, met een witachtige keel, een bruin gevlekte borst en een doffe oranjebruine buik. Staat rechtop op rotsen of paaltjes en loopt snel over de grond achter insecten aan.

Verwarrings­soorten

De Kaapse rotslijster (Monticola rupestris) is groter, met een bruine rug en vleugels; bij het mannetje reikt het blauwgrijs alleen tot de keel. Het vrouwtje heeft een bruine kop en een effener, rijker oranje onderzijde. De kortteenrotslijster (Monticola brevipes) heeft een lichte kruin en een grijsbruine rug zonder blauw, en leeft in droog, rotsig terrein in het westen en noorden. De roodstaartspekvreter (Oenanthe familiaris) is kleiner en effen grijsbruin met een roestrode staart.

Leefgebied

Kortgrazig, rotsig grasland en fynbos op berghellingen en plateaus, vooral boven 1.500 m in het oosten en lager in de Kaapse bergen; ook rotsige randen van akkers en kale erosiehellingen. 's Winters ook in lager gelegen grasland, renosterveld en de rand van de Karoo.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor Zuid-Afrika, Lesotho en Eswatini. Broedt in de Kaapse plooiingsgebergten van de West-Kaap, in de bergen van de Oost-Kaap, de Drakensberg en de hooglanden van KwaZulu-Natal, de oostelijke Vrijstaat, Lesotho, het hoogland van Mpumalanga en het westen van Eswatini. 's Winters zakken veel vogels af naar lagere hellingen, middelhoog grasland en plaatselijk tot aan de kust. Komt buiten de regio niet voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de zomer het best te vinden op de hoge passen van de Drakensberg en in Lesotho, bijvoorbeeld langs de Sanipas, waar de vogels op rotsblokken naast de weg zitten. Kijk bij een mannetje naar de uitgebreide blauwgrijze ‘cape’ tot op de schouders; bij een vrouwtje naar de gevlekte borst. Na de eerste vorst verschijnt de soort ook op lagere hellingen.

Staat van instandhouding

Gevoelig. Uit atlasgegevens blijkt een duidelijke afname, die in verband wordt gebracht met klimaatverandering, verlies van hooggelegen grasland door bebossing en landbouw, en overbegrazing en verandering van het brandbeheer in de bergen.

Wetenschappelijke naam

Monticola explorator | (Vieillot, 1818)

Vieillot beschreef de soort in 1818 als Turdus explorator; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Monticola werd in 1822 ingevoerd door Boie. Monticola is Latijn voor 'bergbewoner', van mons, montis 'berg' en colere 'bewonen'. explorator is Latijn voor 'verkenner, spion' — naar de gewoonte om vanaf een uitkijkpost op een rots de omgeving af te speuren. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bergen bij Kaap de Goede Hoop.