Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Kaapse rotslijster

Kaapse rotslijster | Monticola rupestris

Cape Rock Thrush | Roquero del Cabo

De Kaapse rotslijster is de grootste en bekendste rotslijster van zuidelijk Afrika, een forse, oranje-met-grijze vogel van rotshellingen, kliffen en bergpassen. Hij zingt luid van rotsen, huizen en telefoonpalen en is bij berghutten en boerderijen vaak tam.

Kaapse rotslijster (Monticola rupestris)
Hoofdfoto · Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

De zang is een luide, heldere reeks dalende fluittonen, zoals tsjie-tsjie-tsjoe-tsjoe-tsjoerr, vaak herhaald van een hoge post, vooral 's ochtends vroeg en in de broedtijd van augustus tot januari. De roep is een zacht tsjak en een fluitend tsjoeie.

Luister: ZangXC659641

Opname: Tim Cockcroft — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Een forse rotslijster van 21 cm. Het mannetje heeft een blauwgrijze kop en keel die scherp afsteken tegen de rijk oranjerode borst, buik en stuit; rug en vleugels zijn bruin. De staart is roestoranje met donkere middenpennen. Het vrouwtje heeft een bruine, fijn gevlekte kop, een bruine rug en een iets doffere oranje onderzijde. Staat rechtop op een uitkijkpost, wipt met de staart en daalt naar de grond om insecten, hagedissen en bessen te pakken.

Verwarrings­soorten

De langteenrotslijster (Monticola explorator) is kleiner; bij het mannetje loopt het blauwgrijs door over mantel, vleugeldekveren en bovenborst, en het vrouwtje heeft een gevlekte borst. De kortteenrotslijster (Monticola brevipes) is slanker en heeft een lichte, bijna witte kruin, en leeft vooral in het droge westen en noorden. Het vrouwtje van de Kaapse rotslijster kan lijken op de Kaapse lijster (Turdus olivaceus), maar die heeft een oranje snavel, een gestreepte keel en geen oranje staart.

Leefgebied

Rotsige berghellingen, kliffen, ravijnen en kopjes met grasland, fynbos of struikgewas, van zeeniveau aan de Kaapse kust tot boven 2.000 m; ook bij boerderijen, bergdorpen en wegtaluds met rotsen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor Zuid-Afrika, Lesotho en Eswatini. Wijdverbreid in de West- en Oost-Kaap, KwaZulu-Natal, de oostelijke Vrijstaat, Lesotho, Mpumalanga, Gauteng en het oosten en noorden van Limpopo (tot de Soutpansberg), en in het westen van Eswatini; ontbreekt in het droge noordwesten en het laagveld. Komt buiten de regio niet voor.

  • Jaarrond
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het makkelijkst te zien op bergpassen in de West-Kaap en de Drakensberg, bijvoorbeeld bij Kaap de Goede Hoop, in de Cederberg of op de Sanipas, waar hij op rotsen en daken zit. Het mannetje met alleen een blauwgrijze kop en een bruine rug is de sleutel; bij een vrouwtje in een rotsig landschap helpt de oranje staart bij het opvliegen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is vrij talrijk, verdraagt menselijke aanwezigheid goed en broedt zelfs op gebouwen. Er zijn geen grote bedreigingen bekend, al neemt ze plaatselijk af waar bergflanken dichtgroeien met uitheemse bomen.

Wetenschappelijke naam

Monticola rupestris | (Vieillot, 1818)

Vieillot beschreef de soort in 1818 als Turdus rupestris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Monticola werd in 1822 ingevoerd door Boie. Monticola is Latijn voor 'bergbewoner', van mons, montis 'berg' en colere 'bewonen'. rupestris is Latijn voor 'op rotsen levend', van rupes, 'rots' — naar het rotsige leefgebied. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Tafelberg, Kaapstad, Zuid-Afrika.