Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Langvleugelstormvogel
Langvleugelstormvogel | Pterodroma macroptera
Great-Winged Petrel | Petrel Alas Grandes
De langvleugelstormvogel is een geheel donkerbruine Pterodroma met lange, spitse vleugels en een korte, dikke snavel, die in hoge, zwiepende bogen boven de golven jaagt. Hij broedt midden in de zuidelijke winter op de Prins Edwardeilanden en is op pelagische tochten vanuit Kaapstad een regelmatige verschijning.
Geluid
Op zee zwijgzaam. In de kolonies 's nachts een hoog, fluitend kii-kii-kii en een zacht, jammerend gekreun, vaak in de vlucht boven de broedhellingen.
Opname: Stewart Ford — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 40 cm, met lange, smalle en duidelijk geknikte vleugels, een ronde kop en een korte, zware, geheel zwarte snavel. Het verenkleed is egaal zwartbruin, met rond de snavelbasis en op de keel vaak een iets lichter, grijsbruin gezicht. De ondervleugel is geheel donker, soms met een zwakke lichtere glans op de basis van de handpennen. De staart is vrij lang en wigvormig; de poten zijn zwart. Seksen en leeftijden zijn gelijk. Vliegt zeer snel en wendbaar, in hoge bogen met stijve, naar achteren gehoekte vleugels, en volgt soms schepen.
Verwarringssoorten
De witkinstormvogel (Procellaria aequinoctialis) is groter en zwaarder, met een lichte, hoornkleurige snavel en een tragere vlucht. De grauwe pijlstormvogel (Ardenna grisea) heeft een lange, dunne snavel, een zilverwitte ondervleugel en een lage, scherende vlucht. De Kerguelenstormvogel (Aphrodroma brevirostris) is kleiner en grijzer, met een grote kop en een zilverachtige glans. De donkere vorm van de Arminjon-stormvogel (Pterodroma arminjoniana) heeft lichte handpenbases op de ondervleugel en een slankere snavel.
Leefgebied
Diepe, open oceaan in subtropische en subantarctische wateren, vooral langs de rand van het continentale plat en boven fronten. Eet vooral inktvis, verder vis en kreeftachtigen, die grotendeels 's nachts van het oppervlak worden gepikt. Broedt in holen op droge, goed gedraineerde hellingen, met eileg in de zuidelijke herfst en winter.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied een broedvogel op Marion en Prince Edward, waar de eieren in de winter worden gelegd en de jongen in de lente uitvliegen. Voor het vasteland een vrij algemene bezoeker van diep water voor West- en Zuid-Kaap, het talrijkst in de winter; schaarser voor Namibië en oostwaarts tot voor KwaZulu-Natal. Daarbuiten broedt de soort op Gough, Tristan da Cunha, de Crozet- en Kerguelen-eilanden en in het zuidwesten van Australië, en foerageert over de zuidelijke Atlantische en Indische Oceaan.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op vrijwel elke pelagische tocht vanuit Kaapstad in de winter kans, meestal voorbij de rand van het plat en vaak bij harde wind. De vogel komt soms kort naar trawlers maar blijft zelden hangen; let op een zwartbruine stormvogel die in hoge bogen langs schiet en een opvallend korte, dikke snavel heeft. Dat onderscheidt hem het snelst van de witkinstormvogel.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, met een grote wereldpopulatie. Op Marion leed de soort zwaar onder verwilderde katten, maar herstelt zich sinds hun uitroeiing. Ingevoerde muizen en ratten op andere broedeilanden blijven een bedreiging voor eieren en kuikens.
Wetenschappelijke naam
Pterodroma macroptera | (Smith, 1840)
Smith beschreef de soort in 1840 als Procellaria macroptera; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pterodroma werd in 1856 ingevoerd door Bonaparte. Pterodroma is Grieks, van pteron 'vleugel' en dromos 'loop, hardloper', naar de snelle, zwierende vlucht. macroptera komt van het Griekse makros, 'lang', en pteron, 'vleugel' — naar de lange, smalle vleugels. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zee rond de Kaap, Zuid-Afrika.

