Alle soorten › Pinguïns › Pinguïns › Macaronipinguïn

Macaronipinguïn | Eudyptes chrysolophus

Macaroni Penguin | Pingüino de Macarrones

De macaronipinguïn is een forse kuifpinguïn met goudoranje kuifveren die boven op het voorhoofd samenkomen en een zware, roodbruine snavel. Op de Prins Edwardeilanden is hij de talrijkste pinguïn, met dichte, lawaaiige kolonies op steile rotshellingen die hij alleen in de zomer bezet.

Macaronipinguïn (Eudyptes chrysolophus)
Foto: laikolosse — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de kolonie een luid, schor en schallend trompetteren, aa-aa-aa-aaah, met heen en weer zwaaiende kop, en een snel, blaffend kek-kek-kek bij ruzies. Op zee korte, blaffende contactroepen.

Luister: BedelroepXC864003

Opname: Kevin Guille — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 68–72 cm, de grootste kuifpinguïn in het gebied. Kop, keel en bovendelen zijn zwart, de onderdelen wit. Boven de ogen ontspringen lange, goudoranje sierveren die op het voorhoofd in het midden samenkomen en naar achteren over de kopzijden afhangen. De snavel is massief en roodbruin, met een opvallende driehoek kale roze huid bij de mondhoek. Het oog is rood. De seksen zijn gelijk, het mannetje met een zwaardere snavel. Onvolwassen vogels zijn kleiner, met een donkergrijze keel, een kleinere snavel en slechts enkele korte gele veertjes boven het oog.

Verwarrings­soorten

De oostelijke rotspinguïn Eudyptes filholi, die op dezelfde eilanden broedt, is duidelijk kleiner met een smallere snavel; zijn gele wenkbrauwstreep komt niet op het voorhoofd samen en loopt van snavel tot achter het oog. De noordelijke rotspinguïn Eudyptes moseleyi en de westelijke rotspinguïn Eudyptes chrysocome verschillen op dezelfde manier. Onvolwassen macaronipinguïns zonder kuif zijn het best te herkennen aan de zware snavel en het ontbreken van een volledige wenkbrauwstreep.

Leefgebied

Broedt in zeer dichte kolonies op steile, rotsige en vaak kale hellingen en in geulen dicht bij zee, met een nest van steentjes. In de broedtijd foerageert hij op tientallen tot honderden kilometers van de kolonie, vooral op krill, andere kreeftachtigen en kleine vis. De winter brengt hij volledig op open zee door, ver ten zuiden en oosten van de broedeilanden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied broedt de soort op Marion en Prins Edward, met enkele honderdduizenden paren; de grootste kolonie ligt aan de zuidwestkust van Marion. Aan de kust van het vasteland, vooral in de West- en Oostkaap, zijn enkele dwaalgasten aangetroffen, meestal verzwakte vogels in rui. Daarbuiten broedt hij op Zuid-Georgia, de Crozeteilanden, de Kerguelen, Heard, Bouvet, de Zuidelijke Shetland- en Orkneyeilanden, in Zuid-Chili en op de Falklandeilanden.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Te zien op Marion van oktober tot april; tijdens de bevoorradingsvaart in april–mei zijn de laatste vogels, vaak na de rui, nog bij de kolonies. Een macaronipinguïn aan de kust van het vasteland is een grote zeldzaamheid: controleer bij elke ruiende kuifpinguïn de breedte van de snavel en de vorm van de kuif.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. De wereldpopulatie telt nog miljoenen paren maar is sinds de jaren zeventig sterk afgenomen, vooral op Zuid-Georgia; ook op Marion is het aantal duidelijk gedaald. Waarschijnlijke oorzaken zijn veranderingen in de beschikbaarheid van krill en ander voedsel door opwarming van de oceaan, en concurrentie met de krillvisserij.

Wetenschappelijke naam

Eudyptes chrysolophus | (Brandt, 1837)

Brandt beschreef de soort in 1837 als Catarhactes chrysolophus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eudyptes werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Eudyptes komt van het Griekse eu, 'goed', en duptēs, 'duiker' — 'goede duiker', naar de behendigheid waarmee deze kuifpinguïns onder water jagen. chrysolophus komt van het Griekse khrusos, 'goud', en lophos, 'kuif' — naar de goudgele kuifveren boven de ogen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Falklandeilanden.