Alle soorten › Pinguïns › Pinguïns › Ezelspinguïn

Ezelspinguïn | Pygoscelis papua

Gentoo Penguin | Pingüino de Pico Rojo

De ezelspinguïn is een middelgrote pinguïn met een witte band over de kruin en een fel oranjerode snavel. Binnen het gebied broedt hij in een kleine populatie op de Prins Edwardeilanden, waar hij, anders dan de meeste andere pinguïns daar, het hele jaar in de buurt van de kust blijft en in de zuidelijke winter broedt.

Ezelspinguïn (Pygoscelis papua)
Foto: Christof46 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de kolonie een luid, schor en ezelachtig trompetteren, gaa-gaa-gaaah, met achterover geworpen kop en gespreide vleugels, en een kort, hees blaffen als contactroep.

Luister: DuetXC1079177

Opname: Meena Haribal — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 76–81 cm. De bovendelen en de kop zijn zwartgrijs, de onderdelen wit. Kenmerkend is een witte band die van oog tot oog over de kruin loopt, vaak met wat witte spikkels in de nek. De snavel is oranjerood met een zwarte rug en punt, de poten zijn fel oranje. De staart is voor een pinguïn opvallend lang en steekt achter de vogel uit, wat hem de Engelse bijnaam brush-tailed penguin gaf. De seksen zijn gelijk. Onvolwassen vogels hebben een grijzere keel, een kleinere witte kopvlek en een doffere snavel. Kuikens zijn grijs met een witte buik.

Verwarrings­soorten

Binnen het gebied geen verwarring: de koningspinguïn Aptenodytes patagonicus is veel groter met oranje oorvlekken, de macaronipinguïn Eudyptes chrysolophus en de oostelijke rotspinguïn Eudyptes filholi hebben gele kuifveren en een zwarte keel. De witte kruinband en de oranje snavel zijn ook bij zwemmende vogels goed te zien.

Leefgebied

Broedt in kleine, losse kolonies op lage kustvlakten en tussen pollen gras en mos iets landinwaarts, in een nest van steentjes en plantenresten. Foerageert dicht bij de kust, meestal binnen 20 km van de kolonie en in ondiepe wateren boven het eilandplateau, op vis, krill en andere kreeftachtigen en inktvis.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied alleen op Marion en Prins Edward, met in totaal ongeveer duizend paren; van het Afrikaanse vasteland niet bekend. Daarbuiten broedt de soort op de Crozeteilanden, de Kerguelen, Heard, Macquarie, Zuid-Georgia, de Falklandeilanden, de Zuidelijke Shetlandeilanden en het Antarctisch Schiereiland.

Hoe en wanneer kijken

Te zien bij bezoek aan Marion, bijvoorbeeld tijdens de jaarlijkse bevoorradingsvaart in april–mei, wanneer de vogels vaak al bij de nestplaatsen verzamelen; de eieren worden vanaf de zuidelijke winter gelegd. Zoek langs de oostkust bij het onderzoeksstation en op de rustige strandjes waar groepen aan land komen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in het zuidelijke deel van het areaal toenemend. De populatie op Marion is echter klein en in de afgelopen decennia duidelijk afgenomen, vermoedelijk door veranderingen in de voedselbeschikbaarheid rond het eiland. Verstoring rond het onderzoeksstation wordt beperkt door strikte regels voor het betreden van de kolonies.

Wetenschappelijke naam

Pygoscelis papua | (Forster, 1781)

Forster beschreef de soort in 1781 als Aptenodytes papua; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pygoscelis werd in 1832 ingevoerd door Wagler. Pygoscelis komt van het Griekse pugē, 'stuit', en skelos, 'poot' — naar de ver naar achteren geplaatste poten waarop deze pinguïns rechtop lopen. papua verwijst naar Papoea (Nieuw-Guinea); Forster meende ten onrechte dat de soort daar voorkwam, terwijl hij uit de zuidelijke oceanen komt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Falklandeilanden.