Alle soorten › Pinguïns › Pinguïns › Koningspinguïn

Koningspinguïn | Aptenodytes patagonicus

King Penguin | Pingüino Rey

De koningspinguïn is na de keizerspinguïn de grootste pinguïn ter wereld en een van de meest aansprekende vogels van de subantarctische eilanden. Binnen het gebied broedt hij in grote, luidruchtige kolonies op Marion en Prins Edward, en de broedcyclus duurt zo lang dat een paar hooguit twee keer in drie jaar een jong grootbrengt.

Koningspinguïn (Aptenodytes patagonicus)
Foto: Antoine Lamielle — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de kolonie een luid, trompetterend en fluitend gezang, ah-ah-oooo, gegeven met de snavel omhoog gestrekt; elke vogel heeft een eigen stemritme waaraan partner en jong hem tussen duizenden anderen herkennen. Daarnaast korte, blaffende contactroepen op zee.

Luister: BedelroepXC1079183

Opname: Meena Haribal — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 90–100 cm, rechtop staand. De bovendelen zijn zilvergrijs, de onderdelen satijnwit, gescheiden door een smalle zwarte lijn langs de flanken. Kop en keel zijn fluweelzwart, met aan weerszijden een felle, komma-vormige oranjegele oorvlek die via de halszijden verbonden is met de oranje bovenborst. De lange, licht gebogen snavel is zwart met een oranjeroze plaat op de ondersnavel. De seksen zijn gelijk. Onvolwassen vogels lijken op volwassen vogels maar hebben bleekgele oorvlekken en een grijzige keel. Jongen dragen maandenlang een dik, bruin donskleed en overwinteren zo in groepen in de kolonie.

Verwarrings­soorten

Binnen het gebied is de soort onmiskenbaar; de keizerspinguïn, die er zeer op lijkt, komt er niet voor. De ezelspinguïn Pygoscelis papua en de macaronipinguïn Eudyptes chrysolophus zijn veel kleiner en missen de oranje oorvlekken. De bruine donsjongen worden door nieuwe bezoekers soms voor een andere soort gehouden.

Leefgebied

Broedt op vlakke, grindrijke kuststroken, strandvlakten en in beschutte valleien nabij de zee, zonder nest: het ene ei wordt op de voeten gedragen onder een buikplooi. Foerageert in open oceaan tot honderden kilometers van de kolonie, vooral rond het Antarctisch Front, en duikt tot 300 m diep naar lantaarnvissen en inktvis.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied broedt de soort alleen op de Prins Edwardeilanden, waar tienduizenden paren in een reeks kolonies langs de kust van Marion en Prins Edward nestelen. Op het vasteland van Zuid-Afrika zijn slechts enkele verzwakte of aangespoelde dwaalgasten bekend. Daarbuiten broedt hij op de Crozeteilanden, de Kerguelen, Heard, Macquarie, Zuid-Georgia, de Falklandeilanden en in Vuurland.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Alleen te zien bij een bezoek aan Marion, in de praktijk tijdens de jaarlijkse bevoorradingsvaart in april–mei of bij onderzoekswerk; de eilanden zijn een strikt beschermd natuurreservaat zonder toerisme. Omdat de broedcyclus meer dan een jaar duurt, zijn er vrijwel altijd volwassen vogels en bruine jongen tegelijk in de kolonies aanwezig.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de wereldpopulatie is na het einde van de commerciële jacht op pinguïns voor olie sterk hersteld en telt meer dan een miljoen paren. De kolonies op Marion zijn stabiel tot licht afnemend. Opwarming van de Zuidelijke Oceaan, waardoor het Antarctisch Front zuidwaarts verschuift en de foerageertochten langer worden, geldt als de grootste toekomstige bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Aptenodytes patagonicus | Miller, 1778

Miller beschreef de soort in 1778 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Aptenodytes voerde hij in datzelfde werk in. Aptenodytes komt van het Griekse aptēn, 'ongevleugeld, niet in staat te vliegen', en dutēs, 'duiker' — een 'vleugelloze duiker'. patagonicus betekent 'van Patagonië'; de naam gaat terug op vroege waarnemingen in de wateren rond het zuiden van Zuid-Amerika, al broedt de soort daar nauwelijks. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit niet vermeld; later Zuid-Georgia aangewezen.