Alle soorten › Keerkringvogels › Keerkringvogels › Roodstaartkeerkringvogel

Roodstaartkeerkringvogel | Phaethon rubricauda

Red-Tailed Tropicbird | Rabijunco Colirrojo

De roodstaartkeerkringvogel is een zware, satijnwitte keerkringvogel van de tropische Indische en Stille Oceaan, met een rode snavel en twee dunne, rode staartspiesen. Binnen het gebied is hij een schaarse bezoeker van het Kanaal van Mozambique; de dichtstbijzijnde kolonie ligt op het eiland Europa.

Roodstaartkeerkringvogel (Phaethon rubricauda)
Foto: Forest and Kim Starr — CC BY 3.0 us · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zelden te horen. Bij de broedplaats een raspend, knarsend krrik en een ratelend kek-kek-kek, vooral tijdens de baltsvluchten waarbij vogels achterwaarts om elkaar heen fladderen.

Luister: VluchtroepXC620173

Opname: AUDEVARD Aurélien — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Met staartspiesen 78–81 cm, zonder ongeveer 46 cm; de rode spiesen zijn dun en op afstand vaak onzichtbaar. De bouw is stevig, met brede vleugels en een zware borst. Het verenkleed is zuiver wit, bij verse vogels met een zachtroze waas. Een zwarte, sikkelvormige vlek loopt door en achter het oog. De vleugels zijn vrijwel geheel wit; alleen de schachten van de handpennen en het midden van de binnenste armpennen zijn zwart. De snavel is rood, de poten zijn blauwgrijs met zwarte zwemvliezen. Onvolwassen vogels hebben een zwarte snavel, grove zwarte bandering op de bovendelen en geen spiesen. Vliegt met trage, krachtige vleugelslagen en zweeft meer dan de andere keerkringvogels.

Verwarrings­soorten

De roodsnavelkeerkringvogel Phaethon aethereus heeft eveneens een rode snavel, maar een gebandeerde rug, een zwarte wig aan de vleugelpunt en witte spiesen. De witstaartkeerkringvogel Phaethon lepturus is kleiner en slanker, met een zwarte diagonale band over de binnenvleugel, zwart aan de handpenbasis en een geelachtige snavel. Een hoog overvliegende, witte vogel zonder zwarte vleugeltekening is vrijwel altijd deze soort; onvolwassen vogels herken je aan de zwarte snavel.

Leefgebied

Open tropische oceaan, vaak ver uit de kust boven diep, warm water; vermijdt koele stromingen. Jaagt stootduikend op vliegende vissen en inktvis. Broedt op de grond onder struiken of rotsen op afgelegen koraal- en vulkaaneilanden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied een schaarse gast voor de kust van Mozambique en KwaZulu-Natal, zelden zuidelijker tot in de Oostkaap; verzwakte vogels spoelen na tropische cyclonen soms aan. Daarbuiten broedt de soort op eilanden in de tropische Indische Oceaan (Europa, Aldabra, de Mascarenen, Christmaseiland) en de Stille Oceaan, van Hawaï tot Oost-Australië en Polynesië; niet in de Atlantische Oceaan.

Hoe en wanneer kijken

De beste kans is tijdens pelagische tochten voor de kust van Zuid-Mozambique, bijvoorbeeld vanuit Ponta do Ouro of Inhambane, in de zuidelijke zomer. Zoek hoog boven de horizon: de vogel vliegt vaak op grote hoogte en valt dan vooral op door de volledig witte vleugels. Na cyclonen is het de moeite waard om de stranden van KwaZulu-Natal af te zoeken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. Op veel eilanden is de soort sterk teruggelopen door geïntroduceerde ratten, katten en varkens en door het vangen van vogels voor de staartveren; door rattenbestrijding herstellen verschillende kolonies zich.

Wetenschappelijke naam

Phaethon rubricauda | Boddaert, 1783

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Phaeton rubricauda; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phaethon werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Phaethon gaat terug op het Griekse phaethon 'zon, de stralende'. rubricauda komt van het Latijnse ruber, 'rood', en cauda, 'staart' — naar de twee lange rode middelste staartpennen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mauritius.