Alle soorten › Keerkringvogels › Keerkringvogels › Roodsnavelkeerkringvogel
Roodsnavelkeerkringvogel | Phaethon aethereus
Red-Billed Tropicbird | Rabijunco Etéreo
De roodsnavelkeerkringvogel is de grootste en zwaarst getekende van de drie keerkringvogels, een witte zeevogel van tropische wateren met een rode snavel en twee lange, witte middelste staartpennen. In het gebied is hij een echte zeldzaamheid, waargenomen tijdens pelagische tochten of als verzwakte vogel aan de kust.
Geluid
Op zee meestal stil. Bij de broedplaats en soms in vlucht een schel, raspend gekrijs, kreee-krrr-krrr, dat overgaat in een snel geratel.
Opname: Jesse Fagan — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Met staartspiesen 90–105 cm, zonder ongeveer 46–50 cm; de linten kunnen de helft van de totale lengte uitmaken. Wit met fijne, dichte zwarte bandering op mantel, rug en bovenvleugeldekveren, zodat de bovendelen op afstand grijzig ogen. Een brede zwarte oogstreep loopt door tot in de nek. De buitenste handpennen en hun dekveren vormen een zwarte wig aan de vleugelpunt. De snavel is fel koraalrood, de poten zijn geelgrijs met zwarte zwemvliezen. Onvolwassen vogels missen de spiesen, hebben een geelachtige snavel met donkere punt en een zwarte oogstreep die in de nek als een kraag samenkomt. Vliegt hoog boven zee met snelle, duifachtige vleugelslagen afgewisseld met zweven, en duikt stootduikend van grote hoogte.
Verwarringssoorten
De witstaartkeerkringvogel Phaethon lepturus is kleiner, heeft een ongebandeerde witte rug, een geeloranje snavel en een opvallende zwarte diagonale band over de binnenvleugel. De roodstaartkeerkringvogel Phaethon rubricauda heeft een rode snavel maar vrijwel geheel witte vleugels, een ongebandeerde rug en dunne rode spiesen. Onvolwassen vogels van alle drie zijn gebandeerd en veel lastiger; let bij deze soort op de zwarte nekkraag en de grote zwarte vleugelpunt.
Leefgebied
Open tropische en subtropische oceaan, meestal ver uit de kust boven warm, helder water. Jaagt alleen of in paren op vliegende vissen en inktvis door van 10–20 m hoogte in het water te duiken. Broedt in rotsspleten en onder overhangende rotsen op steile, droge eilanden en kliffen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Binnen het gebied een zeldzame dwaalgast, met enkele waarnemingen en vondsten voor de kust van Namibië en de Westkaap, en af en toe in het Kanaal van Mozambique en voor KwaZulu-Natal. Daarbuiten broedt de soort in de tropische Atlantische Oceaan (Kaapverdië, Sint-Helena, Ascension, Caraïben), in de oostelijke Stille Oceaan en in de Rode Zee, de Golf van Aden en de Perzische Golf.
Hoe en wanneer kijken
Het meest kans tijdens pelagische tochten vanuit Kaapstad of Lüderitz, vooral in de zomer wanneer warm water dichter bij de kust ligt, en na stormen langs de kust. Maak foto's van boven- en ondervleugel: de gebandeerde rug en de zwarte vleugelpunt bevestigen de determinatie. Elke waarneming hoort bij de nationale zeldzaamhedencommissie gemeld te worden.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar met een betrekkelijk kleine en verspreide populatie van naar schatting enkele duizenden paren. Geïntroduceerde ratten en katten op broedeilanden, verstoring en het rapen van eieren bedreigen plaatselijk de kolonies; binnen het gebied is de soort te zeldzaam om er een rol te spelen.
Wetenschappelijke naam
Phaethon aethereus | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Phaëthon aethereus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phaethon werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Phaethon gaat terug op het Griekse phaethon 'zon, de stralende'. aethereus is Latijn voor 'hemels', bij aether 'de hoge, heldere lucht'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ascension.
