Alle soorten › Keerkringvogels › Keerkringvogels › Witstaartkeerkringvogel

Witstaartkeerkringvogel | Phaethon lepturus

White-Tailed Tropicbird | Rabijunco Coliblanco

De witstaartkeerkringvogel is de kleinste keerkringvogel en in het gebied de meest waargenomen soort van de drie. Hij is wit met een opvallende zwarte band over de bovenvleugel, een geeloranje snavel en twee zeer lange, witte staartspiesen die in vlucht achter de vogel aan golven.

Witstaartkeerkringvogel (Phaethon lepturus)
Foto: Noddicraft — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee meestal stil. Bij de broedplaats een schel, herhaald tik-tik-tik of kek-kek-kek en een raspend krrrie tijdens de groepsbaltsvluchten.

Luister: RoepXC403983

Opname: Ross Gallardy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Met staartspiesen 70–82 cm, zonder ongeveer 38–40 cm; de spiesen zijn relatief langer dan bij de andere keerkringvogels. Volwassen vogels zijn wit met een ongebandeerde rug. Een brede zwarte diagonale band loopt over de binnenste bovenvleugeldekveren en de tertials, en de basis van de buitenste handpennen vormt een zwarte vlek op de vleugelpunt. Door het oog loopt een zwarte streep. De snavel is geel tot oranje, de poten zijn grijsachtig met zwarte zwemvliezen. Onvolwassen vogels zijn fijn zwart gebandeerd op de bovendelen, missen de spiesen en de zwarte diagonale band en hebben een geelachtige snavel. Vliegt licht en buigzaam, met snelle vleugelslagen, en bidt soms even voor een stootduik.

Verwarrings­soorten

De roodsnavelkeerkringvogel Phaethon aethereus en de roodstaartkeerkringvogel Phaethon rubricauda zijn groter en zwaarder en hebben als volwassen vogel een rode snavel; de eerste heeft bovendien een gebandeerde rug, de tweede vrijwel witte vleugels. Onvolwassen vogels zijn lastiger: de jonge roodsnavelkeerkringvogel is grover gebandeerd en heeft een zwarte kraag over de nek. Op afstand kan een vogel met afgebroken spiesen aan een stern doen denken, maar de stevige bouw en de snelle, duifachtige vlucht zijn anders.

Leefgebied

Warme tropische oceaan, vaak boven diep water ver uit de kust, soms dichter bij riffen en eilanden. Jaagt stootduikend op vliegende vissen, inktvis en kleine krabben. Broedt in rotsspleten, holten in kliffen en soms in boomholten op tropische eilanden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied een schaarse maar regelmatige gast voor de kust van Mozambique, vooral in het Kanaal van Mozambique, en minder vaak voor KwaZulu-Natal; zelden zuidelijker langs de Oostkaap. Na tropische cyclonen zijn vogels tot ver landinwaarts gevonden, onder meer in Zimbabwe en Malawi. Daarbuiten broedt de soort in de tropische Indische Oceaan (Europa, de Seychellen, de Mascarenen, de Comoren), de tropische Atlantische Oceaan (Ascension, Fernando de Noronha, Bermuda, de Caraïben) en de Stille Oceaan.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Pelagische tochten voor Zuid-Mozambique en rond de Bazaruto-archipel geven de beste kans, in de zuidelijke zomer. De vogel valt al van ver op door de lange, golvende spiesen en de zwarte band over de vleugel. Controleer na zware cyclonen ook binnenlandse meren en stuwdammen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en de talrijkste keerkringvogel. Plaatselijk hebben kolonies te lijden van geïntroduceerde ratten en katten, van het rapen van eieren en jongen en van verstoring door toerisme, maar de wereldpopulatie wordt als stabiel beschouwd.

Wetenschappelijke naam

Phaethon lepturus | Daudin, 1802

Daudin beschreef de soort in 1802 als Phaëton lepturus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phaethon werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Phaethon gaat terug op het Griekse phaethon 'zon, de stralende'. lepturus komt van het Griekse leptos, 'dun, slank', en oura, 'staart' — naar de lange, smalle middelste staartpennen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mauritius.