Alle soorten › Pinguïns › Pinguïns › Oostelijke rotspinguïn
Oostelijke rotspinguïn | Eudyptes filholi
Eastern Rockhopper Penguin | Pingüino de Penacho Amarillo
De oostelijke rotspinguïn is een kleine, strijdlustige kuifpinguïn die over de rotsen van subantarctische eilanden springt in plaats van te waggelen. Binnen het gebied broedt hij alleen op Marion en Prince Edward, waar hij de talrijkste kuifpinguïn na de macaronipinguïn is.
Geluid
In de kolonie een luid, rauw en schetterend balken, met opgeheven kop en zwaaiende vinnen: kaa-kaa-kaa-kaaah, oplopend in tempo. Daarnaast korte blaffende contactroepen en, bij geschillen, een hees gegrom. Op zee een kort blafje.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
Ongeveer 45 tot 55 cm, met leigrijs-zwarte bovendelen en kop en witte onderdelen. Boven het oog loopt een smalle, scherp afgezette gele wenkbrauwstreep die achter het oog uitloopt in slierten van gele en zwarte kuifveren; de streep begint niet op de snavel maar boven de teugel. De snavel is kort, dik en oranjerood, het oog rood, en langs de basis van de snavel ligt een smalle rand van kale roze huid. De poten zijn roze. Het mannetje is groter en heeft een zwaardere snavel. Jonge vogels hebben een grijzige kin en keel, een fletse, kort gele wenkbrauw en een doffe snavel.
Verwarringssoorten
De macaronipinguïn (Eudyptes chrysolophus) is groter, met een veel zwaardere snavel en oranjegele pluimen die in het midden van het voorhoofd samenkomen. De noordelijke rotspinguïn (Eudyptes moseleyi) heeft veel langere, dichtere en hangende kuifveren en een bredere gele wenkbrauw; op de onderkant van de vleugel is de zwarte voorrand breder. De westelijke rotspinguïn (Eudyptes chrysocome) van Zuid-Amerika en de Falklandeilanden is in het veld nauwelijks te onderscheiden, maar heeft geen roze huidrand langs de snavel.
Leefgebied
Broedt in dichte, lawaaiige kolonies tussen rotsblokken en op lavahellingen langs de kust, vaak dicht bij de branding en soms met aalscholvers of andere pinguïns. Springt met beide poten tegelijk van rots naar rots en komt via ruwe, door golven gespoelde kusten aan land. Foerageert op zee op krill, andere kreeftachtigen, pijlinktvis en kleine vis, meestal op dieptes tot enkele tientallen meters.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Binnen het gebied beperkt tot de Prins Edwardeilanden: op Marion broeden de meeste paren, verspreid over een groot aantal kolonies langs de kust, en op Prince Edward een kleiner aantal. Langs de kust van Zuid-Afrika spoelen zeer zelden ruiende of verzwakte vogels aan; de meeste kuifpinguïns die daar opduiken zijn noordelijke rotspinguïns. Verder broedt de soort op Crozet, Kerguelen, Heard, Macquarie en op de subantarctische eilanden van Nieuw-Zeeland (Campbell, Auckland en Antipoden). Buiten de broedtijd zwerven de vogels over de zuidelijke oceanen.
Hoe en wanneer kijken
Voor de meeste bezoekers alleen te zien als dwaalgast of tijdens een bevoorradingsreis naar Marion; de eilanden zijn niet vrij toegankelijk. Een aangespoelde kuifpinguïn op het strand van de Kaap altijd nauwkeurig bekijken: let op lengte en dichtheid van de kuifveren, de breedte van de wenkbrauwstreep, de roze snavelrand en de tekening onder de vleugel. Meld zulke vogels aan een opvangcentrum voor zeevogels.
Staat van instandhouding
Niet apart door de IUCN beoordeeld; hij wordt gerekend tot de westelijke rotspinguïn (Eudyptes chrysocome, kwetsbaar). De populatie op Marion is sinds de jaren negentig sterk afgenomen, waarschijnlijk door veranderingen in de voedselvoorziening op zee als gevolg van opwarming. Elders in het areaal is een vergelijkbare daling gemeten, onder meer op Campbell.
Wetenschappelijke naam
Eudyptes filholi | Hutton, 1879
Hutton beschreef de soort in 1879 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Eudyptes werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Eudyptes komt van het Griekse eu, 'goed', en duptēs, 'duiker' — 'goede duiker', naar de behendigheid waarmee deze kuifpinguïns onder water jagen. filholi eert de Franse natuuronderzoeker Henri Filhol (1843–1902), die in 1874 met de Franse Venusovergang-expeditie op Campbelleiland verbleef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Campbelleiland, Nieuw-Zeeland.

