Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Maricovliegenvanger
Maricovliegenvanger | Bradornis mariquensis
Marico Flycatcher | Papamoscas del Marico
De Maricovliegenvanger is de bruin-witte vliegenvanger van het droge acaciaveld, vrijwel beperkt tot zuidelijk Afrika. Met zijn zandbruine bovendelen en zuiver witte onderzijde is hij een van de makkelijkst herkenbare vliegenvangers van de Kalahari.
Geluid
Een zacht, dun tsiep als contactroep, en een korte, twitterende zang van hoge, sissende noten, tsie-tsjip-tsjip-tsie. Bij onrust een droog tsjrr. Weinig luidruchtig; vaak zingen partners om beurten.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
17–18 cm, een vrij grote, rechtop zittende vliegenvanger. De bovendelen zijn egaal zandbruin tot warm lichtbruin, de onderdelen van kin tot onderstaartdekveren zuiver wit, scherp afgegrensd tegen het bruin van kop en flanken. Snavel en poten zijn zwart. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn van boven licht gevlekt en van onder donker gestreept. Zit op de buitenste takken van een struik of op een paaltje en valt naar de grond om een insect te pakken; vaak in paren of familiegroepjes.
Verwarringssoorten
De vale vliegenvanger (Agricola pallidus) is doffer grijsbruin, met een vuilwitte tot bleekbruine onderzijde zonder scherpe grens, en leeft in natter, breedbladig bosveld. De lijstervliegenvanger (Agricola infuscatus) is groter, geheel donkerder bruin met een licht vleugelpaneel. De grauwe vliegenvanger (Muscicapa striata) is kleiner, grijzer en fijn gestreept op borst en kruin, en is alleen een zomergast. Jonge Maricovliegenvangers zijn gestreept, maar zitten meestal bij de ouders.
Leefgebied
Droog acaciaveld, Kalahari-doornveld, open struiksavanne en de randen van akkers en weidegronden met verspreide doornbomen. Foerageert vooral op de grond op insecten, die hij vanaf een lage uitkijkpost vangt. Het nest is een slordig napje in een doornige boom of struik.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Vrijwel endemisch voor het gebied. Verspreid over het grootste deel van Botswana en Namibië (behalve de Namibwoestijn en de natte Zambezi-regio), het westen en noorden van Zuid-Afrika (Noord-Kaap, Noordwest, Limpopo en het westen van de Vrijstaat), het zuidwesten van Zimbabwe en het zuiden van Angola. Buiten het gebied komt de soort niet voor.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Algemeen in de Kgalagadi, het Centraal-Kalahariwildreservaat en het Etosha-gebied. Rijd langzaam door acaciaveld en let op bruine vogels met een helderwitte onderzijde op de buitenste takken van struiken; ze zitten er vaak met twee of drie tegelijk.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Algemeen en wijdverspreid, en de aantallen zijn stabiel; plaatselijk profiteert de soort van bosverdichting in overbegraasd weiland.
Wetenschappelijke naam
Bradornis mariquensis | Smith, 1847
Smith beschreef de soort in 1847 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Bradornis voerde hij in datzelfde werk in. Bradornis combineert het Griekse bradus, 'traag', met ornis, 'vogel' — naar de rustige manier waarop deze vliegenvangers lang op een uitkijkpost blijven zitten. mariquensis verwijst naar de Maricorivier in het noordwesten van Zuid-Afrika, waar het eerste exemplaar werd verzameld. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Maricorivier, Noordwest, Zuid-Afrika.

