Alle soorten › Zangvogels › Buulbuuls › Maskerbuulbuul

Maskerbuulbuul | Pycnonotus nigricans

African Red-Eyed Bulbul | Bulbul Encapuchado

De maskerbuulbuul is de buulbuul van het droge westen van zuidelijk Afrika, van de Karoo en de Kalahari tot in het zuidwesten van Angola. De zwarte kap en de oranjerode, vlezige oogring maken hem gemakkelijk herkenbaar; in de overgangszones naar de Kaapse en de grauwe buulbuul komen geregeld bastaarden voor.

Maskerbuulbuul (Pycnonotus nigricans)
Foto: flowcomm — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Heldere, vloeiende fluitfrasen, vergelijkbaar met die van de grauwe buulbuul maar vaak iets hoger en voller, zoals piet-piet-patata-piet. Bij alarm een droog, herhaald tsjik-tsjik-tsjik en een schetterend gekwetter, bijvoorbeeld wanneer een uil of een slang ontdekt wordt. Zingt al vroeg in de ochtend vanuit een hoge uitkijkpost.

Luister: RoepXC816920

Opname: Dawie de Swardt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

19–21 cm. Kop, keel en bovenborst zijn glanzend zwart en vormen een scherp begrensde kap met een licht kuifje. Rond het donkere oog ligt een naakte, vlezige oogring die oranje tot helder rood is. De bovenzijde is grijsbruin, de borst grijsbruin en de buik vuilwit; de onderstaartdekveren zijn citroengeel. Staart en vleugels iets donkerder bruin. Snavel en poten zwart. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben een bleke, roze tot lichtoranje oogring en een doffere kap. Zit graag opvallend in de top van een struik en beweegt de staart op en neer.

Verwarrings­soorten

De grauwe buulbuul Pycnonotus barbatus heeft een zwarte oogring zonder kleur, een minder scherp afgezette, bruinzwarte kop en een bruinere borst. De Kaapse buulbuul Pycnonotus capensis is donkerder chocoladebruin, met een witte oogring en een bruine buik die geleidelijk in de kop overgaat. Waar de soorten elkaar raken, onder meer in het oosten van Botswana, in Noordwest en Gauteng en aan de randen van de Karoo, komen tussenvormen voor met een bleke of gedeeltelijk gekleurde oogring; zulke vogels zijn niet altijd op naam te brengen.

Leefgebied

Droge savanne en doornveld, Kalahari-doornveld, struikgewas in de Nama-Karoo, bosjes langs droge rivierbeddingen, en tuinen, boerderijen en rustkampen in het droge binnenland. Heeft struiken of bomen en drinkwater in de buurt nodig. Eet vruchten en bessen, nectar van aloë's en andere bloemen, en insecten. Leeft in paren of kleine groepjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Namibië vrijwel overal behalve aan de kust van de Namib; in Botswana wijdverspreid, schaarser in het noordoosten; in Zuid-Afrika in de Noord-Kaap, Noordwest, het westen van de Vrijstaat en de Karoo van de West- en Oost-Kaap; verder in het westen van Lesotho, het zuidwesten van Zimbabwe en het zuidwesten van Angola (Namibe, Huíla en Cunene). Buiten het gebied komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. In de rustkampen van het Kgalagadi-grensoverschrijdende park, bij Augrabies en in de tuinen van Windhoek is hij tam en algemeen. Let bij buulbuuls in de overgangszones altijd op de kleur van de oogring: helder oranjerood is typisch voor deze soort, maar bleke of vlekkerige ringen wijzen vaak op een bastaard.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en algemeen binnen het areaal. Profiteert plaatselijk van tuinen, boerenerven en aangeplante vruchtbomen in het droge binnenland, en breidt zich langs rivieren en dorpen uit. Hybridisatie met de beide verwante soorten is gewoon en vormt geen bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Pycnonotus nigricans | (Vieillot, 1818)

Vieillot beschreef de soort in 1818 als Turdus nigricans; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pycnonotus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Pycnonotus is Grieks, van puknos 'dicht, compact' en -nōtos 'gerugd', van nōton 'rug', naar het dichte verenkleed van de rug. nigricans is Latijn voor 'zwartachtig', van nigrare, 'zwart maken' — naar de zwarte kop van deze buulbuul. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit oever van de Oranjerivier, Namakwaland.