Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Mekkercamaroptera

Mekkercamaroptera | Camaroptera brachyura

Bleating Camaroptera | Camaróptera Baladora

De mekkercamaroptera is een kleine, kortstaartige zanger met groene vleugels die zich in dicht struikgewas vooral laat horen door een nasaal geblaat, als van een jong geitje. Hij is een van de algemeenste vogels van de ondergroei in het noorden en oosten van het gebied. In het gebied komen twee duidelijk verschillende vormen voor: een groenruggige in het oosten en een grijsruggige in het binnenland.

Mekkercamaroptera (Camaroptera brachyura)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het meest gehoorde geluid is een nasaal, klaaglijk geblaat, mbèèèh, dat tot lang na de broedtijd klinkt. De zang is een luid, snel herhaald klikken of tikken, tsjik-tsjik-tsjik-tsjik of bidiep-bidiep, vaak van een verborgen plek in een struik. Bij verstoring een droog ratelend alarm.

Luister: ZangXC1163104

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm, gedrongen, met een korte staart die vaak rechtop wordt gehouden. De vleugels zijn bij alle vormen olijfgroen, de onderzijde vuilwit met grijze borst en flanken en witte dijen. De groenruggige vorm van de oostkust (Oost-Kaap, KwaZulu-Natal, Eswatini, Mozambique, Oost-Zimbabwe en Malawi) is ook op kruin, rug en staart groen. De grijsruggige vormen van het binnenland hebben kop, rug en staart grijs, in contrast met de groene vleugels; bij deze vormen is het kleed buiten de broedtijd bruiner van boven en lichter van onderen. De iris is lichtbruin tot oranjebruin, de snavel donker, de poten roze. De seksen zijn gelijk. De combinatie van korte, opgewipte staart, groene vleugel en het geblaat is kenmerkend.

Verwarrings­soorten

De savannezangers, zoals de kleine savannezanger Calamonastes stierlingi en de gebandeerde savannezanger Calamonastes fasciolatus, houden de staart ook op, maar hebben een lange staart en een gebandeerde onderzijde en geen groene vleugels. Prinia's, zoals de roestflankprinia Prinia subflava, hebben een lange staart en een wenkbrauwstreep. De geelbuikeremomela Eremomela icteropygialis is kleiner, met een gelige buik, en foerageert hoger in de bomen. In het noorden van Angola komen de verwante geelbrauwcamaroptera Camaroptera superciliaris (gele wenkbrauw) en Harterts camaroptera Camaroptera harterti voor.

Leefgebied

Dicht struikgewas en ondergroei aan bosranden, in oeverbos, kustbos, galerijbos, bosveld met een dichte struiklaag, ruigte op termietenheuvels, en ook in tuinen en parken met dichte beplanting. Zoekt laag in de struiken en op de grond naar insecten; paren blijven jaarrond in hun territorium.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied wijdverspreid in Angola, Zambia, Malawi, Mozambique en Zimbabwe, in het noorden en oosten van Botswana, het noorden van Namibië (Caprivi, Kavango en het noorden van het centrale plateau) en in het oosten van Zuid-Afrika, van Limpopo, Mpumalanga en het noorden van Gauteng en Noordwest via Eswatini en KwaZulu-Natal zuidwaarts tot de kust van de Oost-Kaap. Ontbreekt in Lesotho, het droge westen en de West-Kaap. Daarbuiten over grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië en Somalië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond; het geblaat is het signaal. In de ondergroei van het oeverbos bij Kruger, in de kustbossen van KwaZulu-Natal en in iedere tuin met dichte struiken in het laagveld is hij te vinden. Blijf stil staan bij een struik waar het geblaat klinkt; de vogel komt vaak naar de rand, de staart opgewipt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen en wijdverspreid, en goed aangepast aan secundaire begroeiing en tuinen. Plaatselijk achteruit waar struikgewas volledig wordt gekapt of platgegraasd.

Wetenschappelijke naam

Camaroptera brachyura | (Vieillot, 1820)

Vieillot beschreef de soort in 1820 als Sylvia brachyura; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Camaroptera werd in 1850 ingevoerd door Sundevall. Camaroptera komt van het Griekse kamara, 'boog, gewelf', en pteron, 'vleugel' — naar de korte, sterk gewelfde vleugels. brachyura komt van het Griekse brakhus, 'kort', en oura, 'staart' — naar de korte, vaak opgewipte staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.