Alle soorten › Zangvogels › Zwaluwen › Oostelijke roodstuitzwaluw
Oostelijke roodstuitzwaluw | Cecropis daurica
Eastern Red-Rumped Swallow | Golondrina Dáurica Oriental
De oostelijke roodstuitzwaluw is een slanke zwaluw met lange staartspiesen, een lichte roestkleurige stuit en een fijn gestreepte, warm gekleurde onderzijde. In het gebied is hij een bewoner van het hoogland in het noordoosten, waar paren hun flesvormige modernest onder rotsoverhangen, bruggen en daken plakken.
Geluid
Een korte, nasale roep, tweit of kwietsj, vaak in de vlucht. De zang is een zacht, krakerig gekwetter met rollende noten, rustiger en lager dan dat van de boerenzwaluw.
Opname: João Ferreira Tomás — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
16–17 cm inclusief de staartspiesen. Kruin, mantel en vleugels glanzend blauwzwart. Een roestbruine kraag over de nek en een roestkleurige streep achter het oog scheiden de donkere kruin van de wangen. De stuit is licht roestkleurig, naar achteren bleker. De onderzijde is warm roestbeige met fijne donkere lengtestreepjes; de onderstaartdekveren zijn diepzwart, zodat de staart in vlucht als 'afgesneden' van het lichaam oogt. Diep gevorkte staart zonder witte vlekken. Jonge vogels zijn doffer, met kortere spiesen. Vliegt vaak laag en rustig zwevend, met meer glijvluchten dan de boerenzwaluw.
Verwarringssoorten
De savannezwaluw Cecropis abyssinica heeft zware zwarte strepen op een witte onderzijde en een geheel roestrode kop. De Kaapse zwaluw Cecropis cucullata is groter en bleker, met een oranje kruin, een witachtige onderzijde met fijne strepen en roestkleurige onderstaartdekveren. De roodborstzwaluw Cecropis semirufa heeft blauwzwarte wangen tot onder het oog en een ongestreepte, diep roestrode onderzijde zonder nekkraag. De moskeezwaluw Cecropis senegalensis is groter, met witte wangen en keel en witte ondervleugeldekveren. Let steeds op de combinatie van nekkraag, gestreepte onderzijde en zwarte onderstaart.
Leefgebied
Open hoogland met grasland, rotswanden en kliffen, afgewisseld met dorpen en akkers, meestal boven ongeveer 1200 m. Jaagt laag boven grasland en langs hellingen op vliegende insecten. Het nest is een flesvormige kom van modder met een lange ingangstunnel, gebouwd onder een rotsoverhang, een brug of het dak van een gebouw.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Standvogel in het hoogland van Malawi, zoals het Nyika-plateau, het Viphya-plateau en de omgeving van Dedza en Zomba, en in het uiterste noorden en noordoosten van Zambia; er zijn enkele verspreide meldingen verder naar het zuiden, onder meer uit Zuid-Afrika en Angola. De Afrikaanse populatie (ondersoort emini) komt verder voor van Tanzania en Kenia tot Oeganda en Zuid-Soedan; andere vormen broeden in Azië.
Hoe en wanneer kijken
Zoek hem op de hooglandplateaus van Malawi rond rotswanden, bruggen en gebouwen, waar paren het hele jaar bij hun nest blijven. In vlucht verraden de lichte stuit en de zwarte onderstaart hem direct, zeker bij vergelijking met de vaak aanwezige Kaapse zwaluw en savannezwaluw. Kijk onder bruggen naar de flesvormige nesten met hun lange tunnel.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; wereldwijd zeer talrijk. In het gebied plaatselijk vrij algemeen maar beperkt tot het hoogland in het noordoosten. Profiteert van bruggen en gebouwen als nestplaats; de taxonomie van de Afrikaanse vormen staat ter discussie.
Wetenschappelijke naam
Cecropis daurica | (Laxmann, 1769)
Laxmann beschreef de soort in 1769 als Hirundo daurica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cecropis werd in 1826 ingevoerd door Boie. Cecropis komt van het Griekse Kekropis 'Atheense vrouw'. daurica verwijst naar Dauria, een bergstreek ten oosten van het Baikalmeer in Rusland. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zmeinogorsk in Siberië.

