Alle soorten › Zangvogels › Zwaluwen › Huiszwaluw

Huiszwaluw | Delichon urbicum

Western House Martin | Avión Común

De huiszwaluw is een compacte, zwart-witte Palearctische trekvogel met een opvallende witte stuit. In zuidelijk Afrika wordt hij van oktober tot april vooral gezien als groepen die hoog in de lucht jagen, vaak samen met gierzwaluwen, en veel minder bij gebouwen dan in zijn Europese broedgebied.

Huiszwaluw (Delichon urbicum)
Foto: christoph_moning — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een droog, kort prrrt of trrit, vaak uit een hoog vliegende groep te horen en een goede hulp om de soort tussen gierzwaluwen te vinden. De zang, een zacht, kwetterend gebabbel, wordt in Afrika weinig gehoord.

Luister: VluchtroepXC1175786

Opname: Beatrix Saadi-Varchmin — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm, gedrongen, met een korte, ondiep gevorkte staart zonder spiesen en vrij brede, driehoekige vleugels. De bovendelen zijn glanzend blauwzwart, de stuit en de bovenstaartdekveren helder wit en scherp afgebakend. De onderdelen zijn zuiver wit, bij jonge vogels en vogels in vers kleed met een grijsbruine zweem op borst en flanken. De ondervleugel is grijzig. De poten en tenen zijn met witte veertjes bedekt. Jonge vogels zijn doffer en bruiner van boven, met een minder zuivere stuit en lichte zomen aan de tertials. Vliegt met afwisselend fladderende slagen en korte glijvluchten, vaak hoog en in cirkels.

Verwarrings­soorten

De grijsstuitzwaluw Pseudhirundo griseopyga is slanker, met een grijsbruine kruin, een grijze in plaats van witte stuit en een dieper gevorkte staart. De huisgierzwaluw Apus affinis heeft eveneens een witte stuit, maar is verder geheel zwartbruin met een witte keel, een recht afgesneden staart en sikkelvormige vleugels. De pijlstaartgierzwaluw Apus caffer en de Horusgierzwaluw Apus horus zijn donker van onderen. De oeverzwaluw Riparia riparia is bruin van boven met een borstband en zonder witte stuit. Kortstaartige jonge boerenzwaluwen Hirundo rustica hebben een donkere stuit.

Leefgebied

Boven vrijwel elk landschap, van grasland en bergketens tot bosveld en kust; vaak hoog boven berggraslanden, escarpementen en onweersfronten. Foerageert op kleine vliegende insecten, soms honderden meters hoog, en komt bij slecht weer laag. Rust soms op rotswanden of in bomen. De zeldzame broedgevallen in het gebied betreffen gesloten modderen nesten onder dakranden of overhangende rotsen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Verspreid over het hele gebied, maar ongelijkmatig en vaak zwervend; het talrijkst in het oosten, van Zimbabwe en Mozambique via Eswatini en KwaZoeloe-Natal tot het Oost-Kaapland, en in Zambia en Malawi; schaarser in het droge westen en in Namibië. Uit Zuid-Afrika zijn enkele broedgevallen bekend. Broedt in Europa, Noord-Afrika en West- en Centraal-Azië en overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Tussen oktober en april; kijk bij naderend onweer of in de late middag omhoog boven berggebieden, zoals de Drakensberg, het escarpement van Mpumalanga of de Oostelijke Hooglanden van Zimbabwe, waar groepen huiszwaluwen met gierzwaluwen meejagen. Let op de korte gevorkte staart, de witte stuit en de volledig witte onderdelen: bij een zwart-witte vogel met witte stuit en witte buik is het een huiszwaluw, niet een gierzwaluw.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar in grote delen van Europa in aantal afgenomen door minder beschikbaarheid van insecten en modder en het verwijderen van nesten. In het Afrikaanse overwinteringsgebied zijn de aantallen moeilijk te volgen doordat de soort hoog en zwervend jaagt.

Wetenschappelijke naam

Delichon urbicum | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Hirundo urbica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Delichon werd in 1854 ingevoerd door Moore. Delichon is een anagram van het Griekse chelidon 'zwaluw'. urbicum is Latijn voor 'van de stad', naar de gewoonte om tegen gebouwen te nestelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.