Alle soorten › Zangvogels › Zwaluwen › Blauwe zwaluw

Blauwe zwaluw | Hirundo atrocaerulea

Blue Swallow | Golondrina Azul

De blauwe zwaluw is een geheel donker staalblauwe zwaluw met zeer lange, dunne buitenste staartpennen, en een van de meest bedreigde vogels van het gebied. Hij broedt in de zomer in ongerept, mistig bergrasland en trekt in de winter naar het Victoriameer.

Blauwe zwaluw (Hirundo atrocaerulea)
Foto: i_c_riddell — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, hoog tsjip of tswit, en in de vlucht of bij het nest een zacht, fijn gekwetter; minder luid dan de meeste andere zwaluwen.

Luister: VluchtroepXC432836

Opname: Derek Solomon — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–25 cm inclusief de staartspelden, het mannetje met de langste. Het hele verenkleed is diep glanzend staal- tot ultramarijnblauw, dat bij slecht licht zwart lijkt; soms zijn enkele witte veren op de flanken of stuit zichtbaar. De staart is diep gevorkt, met bij het mannetje zeer lange, dunne buitenste pennen; bij het vrouwtje zijn deze duidelijk korter. Er zijn geen witte vlekken in de staart. Jonge vogels zijn doffer, bruinzwart en hebben een korte staart. De vlucht is licht en vaak laag over het gras, met rustige, soepele slagen.

Verwarrings­soorten

De blauw-zwarte kamzwaluw Psalidoprocne pristoptera is matzwart zonder blauwe glans, heeft geen lange staartspelden en vliegt trager en fladderender, vaak langs bosranden. De boerenzwaluw Hirundo rustica heeft een witte of roomkleurige onderzijde, een roodbruine keel en witte staartvlekken. De Kaapse gierzwaluw Apus barbatus en andere gierzwaluwen hebben sikkelvormige vleugels, een korte staart en een veel snellere vlucht. Jonge blauwe zwaluwen kunnen op een kamzwaluw lijken; let op het grasland en de begeleidende volwassen vogels.

Leefgebied

Ongerept, vochtig bergrasland met veel afwisseling, boven ongeveer 1200 m, vaak op mistige hellingen met vleien en bosranden. Nestelt onder de grond, in zinkgaten, oude aardvarkenholen en uitgeholde gaten in het grasland, waar hij een modderen nestkom tegen de wand bouwt. Jaagt laag over het gras op kleine insecten. Mijdt bebost land en intensief begraasd grasland.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Broedt versnipperd in de oostelijke bergen: in Zuid-Afrika op enkele plaatsen in Mpumalanga en KwaZulu-Natal, verder in Eswatini, de Oostelijke Hooglanden van Zimbabwe (onder meer Nyanga), aangrenzend Mozambique, het Nyika-plateau in Malawi en Zambia en elders in het noordoosten van Zambia; daarbuiten in de zuidelijke hooglanden van Tanzania en het zuidoosten van Congo-Kinshasa. Overwintert rond het Victoriameer in Oeganda, West-Kenia en Noordwest-Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van oktober tot maart; het Nyika-plateau in Malawi en de Blue Swallow Natural Heritage Site bij Kaapsehoop in Mpumalanga zijn de bekendste plekken. Bezoek broedplaatsen alleen onder begeleiding en blijf op afstand van nestholen; de vogels zijn het gemakkelijkst te zien in de ochtend, laag jagend boven het gras.

Staat van instandhouding

Bedreigd (EN) volgens de IUCN; in Zuid-Afrika is de regionale status ernstig bedreigd, met nog maar enkele tientallen paren. De wereldpopulatie telt naar schatting ongeveer 2000 volwassen vogels. Bedreigingen zijn bebossing met exoten, landbouw, overbegrazing, mijnbouw, invasieve bomen en het verlies van grasland in het overwinteringsgebied.

Wetenschappelijke naam

Hirundo atrocaerulea | Sundevall, 1850

Sundevall beschreef de soort in 1850 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Hirundo werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Hirundo is het gewone Latijnse woord voor 'zwaluw'. atrocaerulea komt van het Latijnse ater, 'zwart', en caeruleus, 'blauw' — naar het donkere, staalblauw glanzende verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Umvoti, KwaZulu-Natal, Zuid-Afrika.