Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Dwergrallen › Parelvlekral

Parelvlekral | Sarothrura pulchra

White-Spotted Flufftail | Polluela Pulcra

De parelvlekral is een kleine, felgekleurde ral van beken in het regenwoud, en de enige ral van het gebied waarbij ook het vrouwtje een kastanjebruine kop heeft. Binnen zuidelijk Afrika reikt hij alleen tot in het uiterste noorden van Angola en Zambia.

Parelvlekral (Sarothrura pulchra)
Foto: Jap Smits — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een snelle reeks heldere, holle, ietwat klokachtige tonen, goe-goe-goe-goe-goe, en een scherp, herhaald kwik-kwik; paren roepen in duet. Roept ook overdag, vooral vroeg in de ochtend en na regen, en is dan veel vaker te horen dan te zien.

Luister: AlarmroepXC709812

Opname: András Schmidt — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

16–18 cm lang. Het mannetje heeft kop, hals, borst en staart helder kastanjerood; rug, vleugels en buik zijn zwart met ronde witte stippen. Het vrouwtje heeft dezelfde kastanjebruine kop, hals en staart, maar het lichaam is fijn gebandeerd in zwart en rossig okerbruin. De snavel is donker, de poten grijs. Jonge vogels zijn donker olijfbruin met een lichtere keel. Zoals alle rallen van dit geslacht kort en gedrongen, met een korte, pluizige staart; loopt snel en ineengedoken en vliegt zelden.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de bruinvlekral Sarothrura elegans heeft okergele in plaats van witte stippen en een zwart gebandeerde staart; zijn vrouwtje is bruin, zonder kastanjebruine kop. De roodborstral Sarothrura rufa is fijn wit gestreept en heeft een zwarte staart, en leeft in moerassen in plaats van langs bosbeken. Het gebandeerde vrouwtje met kastanjebruine kop is binnen het gebied onmiskenbaar.

Leefgebied

Modderige oevers van beken en poelen in groenblijvend laaglandbos en galerijbos, drassige plekken met varens en ondergroei, en dicht begroeide randen van moerasbos. Zoekt zijn voedsel, vooral insecten, wormen en kleine slakken, in de strooisellaag en de modder aan de waterkant.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het noordwesten van Zambia (het Mwinilunga-district, langs de bronrivieren van de Zambezi) en in het noorden van Angola. Daarbuiten over het regenwoudgebied van West- en Centraal-Afrika, van Senegal tot Zuid-Soedan, Oeganda en het westen van Kenia.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Mwinilunga, bijvoorbeeld in de galerijbossen langs de Zambezi en de Sakeji, het best te vinden door in de vroege ochtend langs de bosbeken te luisteren naar de holle roepreeksen. Wacht stil bij een open, modderig stukje oever; de vogel komt soms kort in beeld.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in het centrale deel van zijn areaal vrij algemeen. Aan de zuidrand van het areaal, in Zambia en Angola, is hij van een klein oppervlak galerijbos afhankelijk, dat lokaal door kap en branden achteruitgaat.

Wetenschappelijke naam

Sarothrura pulchra | (Gray, 1829)

Gray beschreef de soort in 1829 als Crex Pulchra; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sarothrura werd in 1890 ingevoerd door Heine. Sarothrura komt van het Griekse sarōtron, 'bezem', en oura, 'staart' — naar het korte, borstelige staartje van deze ralletjes. pulchra is Latijn voor 'mooi' — naar het fraai wit gestippelde verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sierra Leone.